WF interviewt Goos: “Mezelf herontdekken bij de profs”

Door , woensdag 28 november 2012 om 11:58

Goos

foto: Rabosport

De opleidingsploeg van Rabobank levert ieder jaar weer een goede klimmer af. Eerder maakten Gesink, Mollema, Kruijswijk, Slagter en Kelderman al succesvol de overstap naar de profs. Voor volgend seizoen is het de beurt aan Marc Goos. De 21-jarige Brabander werd met een profcontract beloond voor zijn goede prestaties bij de beloften. Tijd voor een kennismaking dus. WielerFlits sprak met hem over zijn verleden, de problemen met bondscoach Aart Vierhouten en zijn naderende avontuur als profrenner.


Goos kreeg na een sterk jaar bij Cycling Team Jo Piels de kans om voor de opleidingsploeg van Rabobank te rijden. Daar maakte hij in zijn eerste seizoen gelijk een goede indruk. De Nederlander werd zesde in zowel de beloftenversie van Luik-Bastenaken-Luik als het eindklassement van de prestigieuze Thüringen Rundfahrt. In augustus wist Goos zelfs al een etappekoers te winnen. Hij schreef de Vuelta a León op zijn naam door Jonathan Tiernan-Locke te kloppen. De ploegleiding van Rabobank besloot Goos te belonen door hem een stageplaats bij het profteam aan te bieden.

De op dat moment slechts 20-jarige Goos mocht de Tour of Colorado rijden. Ruim een week later brak het talent echter zijn heup na een zware valpartij. Dit betekende meteen einde seizoen en dus geen plaats bij het ProTeam. Dit jaar kreeg hij een herkansing. Goos reed de Tour of Utah als stagiair in het shirt van de eerste ploeg van Rabobank. De jongeling sloot de Amerikaanse ronde af op een verdienstelijke 25e plaats. Volgend jaar is hij niet meer afhankelijk van stagecontracten. Dan is Goos namelijk volwaardig lid van de profploeg.

Wanneer ben je met het wielrennen begonnen?
“Op mijn tiende begon ik aan deze sport. Ik deed bij de jeugd vanaf categorie 3 mee aan wedstrijden. Door mijn vader kwam ik in aanraking met het wielrennen. Die fietste destijds al een tijdje bij een tourclub. Hij reed wat wedstrijdjes bij de vrije bond. Toen wilde ik het ook een keer proberen. Ik ging vervolgens hier in Oosterhout bij WV De Jonge Renner, waar ik nog steeds lid van ben, proef trainen. Zodoende ben ik er een beetje ingerold. Ik was eigenlijk al snel verkocht.”

Wanneer had je voor het eerst door dat het best realistisch zou kunnen zijn dat je ooit profrenner wordt?
“Ik heb er altijd wel van gedroomd om profrenner te worden. Bij de junioren ging het steeds beter. Toen ging ik ook wedstrijden winnen en vanaf dat moment maakte ik elk jaar flinke stappen, waardoor ik er wel in ging geloven.”

Wat beschouw jij als jouw beste resultaat bij de beloften?
“Dat is best lastig te zeggen, want iedere wedstrijd heeft zo zijn eigen waarde. In 2011 won ik de Vuelta a León. Dat was een hele mooie. De wedstrijd was ook super. Het ging flink bergop. Daarnaast was ook de eindzege in de Tour de Berlin heel mooi. Dankzij een overwinning in de tijdrit kon ik voor het eerst als belofte een echte etappekoers op mijn naam schrijven. De bijzonderste is misschien wel de winst in de Meeus Race, een klassieker in de beloftecompetitie. Ik maakte net de grote stap van de junioren naar de beloften en won vrijwel meteen deze wedstrijd. Dat was heel speciaal voor mij.”

Net na die overwinning in León brak jij jouw heup. Hoeveel last heb je daar later nog van gehad?
“Het was een hele zware blessure. Het herstel duurde ook vrij lang. Mijn seizoen was daardoor direct voorbij, waardoor ik voldoende tijd had om te revalideren. Toch merkte ik vooral in het begin van het seizoen dat het lastig is om weer op niveau te komen na zo’n zware val. Dat geldt zeker voor de laatste paar procenten naar de topvorm. Dat duurt nog het langst. Omdat ik er zo lang uit lag, had ik wedstrijden nodig om daar beter in te worden. Inmiddels ben ik volledig hersteld.”

Opvallend is dat je niet vaak voor de nationale selectie hebt gereden. In hoeverre baal je daarvan?
“Dat beschouw ik eigenlijk als een groot gemis. Ik had wel meer voor de nationale selectie willen uitkomen. Vooral de Tour de l’Avenir had ik willen rijden. Daarnaast wilde ik natuurlijk ook graag starten op het WK. Dat is eigenlijk een beetje de mist in gegaan. Dit jaar had ik vooral op deelname aan de Tour de l’Avenir gehoopt. Ik dacht dat ik zelf wel bewezen had dat ik een plek in de selectie verdiende.

De communicatie met de bondscoach was echter dermate slecht dat het niet zo ver kwam. Dat was heel erg teleurstellend. Zeker de gang van zaken. Hoe het allemaal te werk ging. Daarna was er het WK, maar het team voor deze wedstrijd werd grotendeels bepaald op basis van de selectie van de Tour de l’Avenir. Ik had in mijn belofteperiode absoluut graag meer bij de nationale selectie willen rijden. Dit is zeker een gemis.”

De Tour de l’Avenir was dit jaar behoorlijk bergachtig. Jij hoort bij de beste klimmers in de beloftencategorie, waardoor je zou verwachten dat jij zeker een plaats zou krijgen in de selectie. In plaats daarvan selecteerde bondscoach Aart Vierhouten drie sprinters en slechts één klimmer. Dit leverde bij sommige mensen veel verbazing op. Deel jij deze verbazing?
“Ja, dat vond ik dus zelf ook. Zeker omdat ik dacht dat ik deze wedstrijd goed aan zou kunnen. Ik had een jaar eerder in León al een rittenkoers gewonnen. Bovendien was ik dit jaar derde in de Thüringen Rundfahrt. Ik dacht dat ik bij de betere klimmers hoorde. Ik had op dat parcours zeker niet misstaan.”

Je vertelde dat de communicatie met de bondscoach slecht was. Hoe vaak heb je hem het afgelopen jaar dan gesproken?
“Ik heb hem dit jaar eigenlijk niet eens een keer écht gesproken. Niet direct in ieder geval. Ik heb wel één keer via e-mail contact gehad, maar dat was ook maar heel kort. Hij had blijkbaar te weinig tijd door andere belangen met andere renners, denk ik. Het viel me ook op dat de bondscoach vaak dezelfde renners selecteerde. Dat bedoel ik met dat communicatieprobleem. Hierdoor vielen ik en ook ander renners buiten de boot. De Tour de l’Avenir is natuurlijk de belangrijkste wedstrijd voor de beloften. Daar kan je wat dat betreft niet omheen.”

De Tour de l’Avenir is daarnaast een geweldig podium om je in de kijker te rijden. De winnaar krijgt sowieso een contract.
“Ook dat. Bovendien zou het gewoon een hele mooie ervaring zijn geweest om zo’n koers te rijden. Het is de belangrijkste etappekoers voor de beloften.”

Vierhouten is naast bondscoach ook manager van een aantal renners. Heb je gemerkt dat er af en toe belangenconflicten waren?
“Ja, ik had daardoor wel het idee dat een aantal renners meer werden geselecteerd dan andere coureurs. Die hadden dan misschien een streepje voor, omdat deze renners ook bij hem in het management zaten.”

Volgend jaar is hij geen bondscoach meer, maar dat maakt voor jou niet veel meer uit, of wel?
“Inderdaad. Mijn belofteperiode is afgelopen. Ik heb verder een hele mooie tijd gehad, maar nu hoor ik bij de elite. Een hele andere categorie. Ondanks dat je bij de beloften ook vaak met de profs rijdt, krijg je nu weer met andere renners te maken.”

Je mocht eerder in de Tour of Utah al aan het profniveau ruiken dankzij een stagecontract. Hoe beviel dat?
“Het ging eigenlijk best goed. Het was echt een lastige koers doordat er veel moest worden geklommen. Daarnaast reden we voornamelijk op hoogte. Sommige ploegen zaten al langer op hoogte, waardoor zij zich beter konden voorbereiden. Die reden dan ook net wat harder, maar verder was ik zelf tevreden, omdat ik goed op dat niveau meekon. Dat gaf een goed gevoel.”

En toch duurde het vrij lang voordat Rabobank bekend maakte dat jij de overstap zou maken. Dat gebeurde pas begin oktober. Hoe beleefde jij de periode hiervoor?
“Dat duurde inderdaad best lang. Dit kwam ook wel doordat ze bij Rabobank met die structuurwijziging bezig waren. Daar hadden ze hun handen vol aan. Hierdoor wist ik al dat het wat langer zou duren. Daar waarschuwden ze mij ook voor. Ik had voor mezelf wel het idee dat ik profwaardig was en daardoor had ik het vertrouwen dat het wel goed zou komen.”

Had je nog aanbiedingen van andere ploegen op zak voor het geval dat het mis zou lopen?
“Nou ja, Rabobank heeft bij mij wel altijd bovenaan gestaan. Ik reed voor de opleidingsploeg, waardoor ik al in dat traject zat. Het is de grootse ploeg van Nederland en je zit meteen op het hoogste niveau. Daarnaast was ik daar al bekend. Rabobank stond gewoon bovenaan mijn lijstje. Contacten met andere ploegen had ik daardoor niet echt. Niet heel concreet in ieder geval, omdat ik op dat moment steeds meer neigde naar Rabobank. Uiteindelijk was ik ook snel rond met Rabobank.”

Wat verwacht je eigenlijk van dit avontuur?
“Tsja, dat is vooraf moeilijk te zeggen. Het is inderdaad een mooi avontuur. Dat moet zichzelf uitwijzen. Ik ga proberen om wederom een goede stap te maken en om de dingen te doen die van mij verwacht worden. Voor de rest zal ik alles wel ontdekken door gewoon het avontuur aan te gaan.”

Wat wordt jouw rol het eerste seizoen?
“Ik zal, vooral in het begin, een ondersteunende rol hebben in de ploeg van de klimmers en de ronderenners. Mijn taak wordt om de kopmannen bij te staan. Daarnaast zal ik in de kleine rondjes ook wel mijn eigen kans krijgen, maar in eerste instantie wordt het vooral veel knechten voor de kopmannen. Als ik later terugkijk op mijn eerste seizoen, zal ik tevreden zijn als ik heb aangetoond dat ik een volwaardige prof ben.”

Opvallend is dat de klimmers die de opleidingsploeg aflevert de laatste jaren dichter bij de internationale top komen dan de klassiekerrenners. Gesink, Mollema, Kruijswijk, Kelderman en Van Garderen doen het beter dan bijvoorbeeld Van Winden, Vermeltfoort en Bol. Heb jij hier een verklaring voor?
“Dat is lastig uit te leggen. Ik denk dat het gewoon aan de renners zelf ligt. Als renner heb je ergens een talent in en ik denk dat wat betreft het klimmen er net die talenten waren. Het kan de komende jaren ook zo maar in een keer anders zijn. Ik denk niet dat hier een eenduidige verklaring voor is. Maar goed, het is inderdaad wel opvallend. Je hebt natuurlijk ook Theo Bos, maar die heeft pas op latere leeftijd de overstap gemaakt. Dat is dan weer geen klimmer.”

Jij bent waarschijnlijk van plan om deze lijn door te zetten?
“Ja, voor mij is het de afgelopen jaren wel duidelijk geworden dat mijn sterke punten bij het klimmen en vooral het tijdrijden liggen. Ik hoop op deze aspecten beter te kunnen worden.”

Kun je wat meer vertellen over deze specialisatie? Je bent een goed klimmende tijdrijder, maar wat voor beklimmingen heb je het liefst? En hoe zit dat bij tijdritten?
“Ik heb het liefst een wat langere tijdrit. Ik heb nog niet heel veel ervaring met verschillende soorten tijdritten, want de meeste zijn in de beloftecategorie vrij vlak. In Frankrijk heb ik dit jaar in de Tour du Poitou Charentes een glooiende tijdrit gereden en dat lag mij op zich heel goed. Ik werd achtste tussen de profs. Daar was ik dik tevreden mee. Wat het klimmen betreft was het de afgelopen jaren zo dat het beter ging als het wat langer duurde. Ik denk echter dat ik me bij de profs weer opnieuw moet ontdekken, want je begint eigenlijk gewoon op nul.”

Nico Verhoeven meldde in het persbericht over jouw aanstelling als prof dat jij op termijn een type Grischa Niermann zou moeten kunnen worden. Dit is een opvallende uitspraak, zeker gezien de geschiedenis van de klimmers die vanuit de opleidingsploeg komen. Was hij hier simpelweg de verwachtingen aan het temperen, of hoe zouden we dit moet interpreteren?
“Dat weet ik niet. Het is natuurlijk gewoon maar een snelle uitspraak. Er wordt vaak naar verwachtingen gevraagd, maar dat is altijd moeilijk te zeggen. Zeker omdat je nu plots op een ander niveau terecht komt. Dan moet je jezelf een beetje ontdekken, denk ik. Je weet nooit waar het eindigt. Mijn ambitie reikt natuurlijk wel verder. Deze ambitie wil ik ook zo houden. Het streven is wel naar meer.”

Slagter en Kruijswijk mochten beide in hun eerste jaar als prof gelijk de Giro rijden. Is dat ook voor jou de planning?
“Daar is niet meteen over gesproken. Ik wil gewoon goed aan het seizoen beginnen, maar ik weet nog niet waar of in welke wedstrijd. Dat moet nog besproken worden. We moeten eerst bekijken hoe het seizoen loopt en daarna gaan we de planning verder maken. Het is niet zo dat ik vooraf al wedstrijden heb opgeschreven.”

Kelderman wilde vorig jaar überhaupt geen grote ronde rijden. Daar is bij jou geen sprake van?
“Nee. Het verschil is dat Kelderman twee jaar jonger was toen hij prof werd. Ik word nu 22. Dan ben je al iets ouder, dus in principe zou ik wel een grote ronde kunnen rijden.”

Hoe heb jij het stoppen van Rabobank beleefd? Dat moet voor jou als neoprof misschien wel extra vervelend zijn geweest.
“Het was wel even spannend, ja. Eerst hoorde ik dat ik prof werd. Nou, dat was natuurlijk fantastisch. Twee weken later begreep ik dat de sponsor stopt. In het begin dacht ik wel even: Shit! Ik kreeg vervolgens vrij snel een telefoontje van de ploeg. Ze vertelden dat ik de komende jaren in ieder geval nog zekerheid heb. Dat is voor mij het belangrijkste. Ik had wel graag met Rabobank op mijn shirt mijn profdebuut gemaakt, omdat ze de ploeg al zó lang hebben gesponsord. Dat is waar je van jongs af aan naar uit hebt gekeken.

In principe maakt het mij niet veel uit wat er volgend seizoen op het shirt staat. Het belangrijkste is dat ik dan in profkoersen kan verschijnen. Het was al vrij snel duidelijk dat dit het geval zou zijn. Het zou natuurlijk wel het beste zijn als er snel een nieuwe sponsor komt, want dan heb je wat zekerheid. Dan kan de ploeg weer op iets bouwen. Ik verwacht wel dat dit gebeurt hoor. De structuur van de ploeg is goed en daarnaast zitten er veel talenten in het team. Vooral Nederlandse talenten. De kopmannen komen bovendien steeds dichter bij de absolute top. Ik verwacht wel dat er geïnteresseerden zijn.”

Je woont nu nog in Nederland, maar ben je van plan om naar het buitenland te verhuizen? Veel ploeggenoten wonen al in Spanje.
“Ja, dat ben ik zeker van plan. Ik ben me hier en daar al aan het oriënteren. Het is ook wel iets voor mij om naar het buitenland te gaan. Het lijkt me gewoon beter voor mijn sport.”

Dit artikel delen:

Reactie plaatsen

Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.