Waarom ex-topsprinter Theo Bos zijn heil bij ‘sprintland in ontwikkeling’ België zoekt
Interview Theo Bos is zelf vijfvoudig wereldkampioen en zilveren olympische medaillewinnaar in sprintonderdelen op de baan. Tot vijf jaar geleden koerste hij nog met en tegen toppers als Jeffrey Hoogland en Harrie Lavreysen, nu is de 42-jarige Nederlander aangesteld als de nieuwe sprintbondscoach van Belgian Cycling. “Een sprintland in ontwikkeling”, noemt Bos het zelf. Maar juist daarin ziet hij een uitdaging, zo vertelt de voormalige topsprinter in gesprek met WielerFlits.
“Toen ik me in 2021 niet kon plaatsen voor de Olympische Spelen van Tokio, ben ik gestopt met fietsen en naar China getrokken, om daar tot en met de Spelen van Parijs de sprinters te coachen. Aansluitend kreeg ik vanuit de KNWU de vraag om de BMX’ers te coachen. Dat was een gekke uitstap, omdat ik geen expertise in die sport heb. Maar de KNWU had dringend iemand nodig, en het ging best goed. De vraag kwam uiteindelijk om de functie door te zetten tot de Spelen in Los Angeles.”
“Maar na het WK BMX’en ben ik eind december met enkele mensen van de KNWU naar het WK voor junioren in Apeldoorn gaan kijken. Ik was al heel lang niet meer op de piste geweest, maar toen ik daar de wielerbaan op liep, begon het gelijk weer te kriebelen. Daar kwam vanuit het kamp van Belgian Cycling plots de vraag om hun vrije vacature voor sprintbondscoach in te vullen. Het klikte meteen, en dan heb ik vrij snel besloten om weer terug te keren op de piste in die functie. Het blijft een wereldje waarin ik me het meeste thuis voel.”
Nochtans is juist je thuisland Nederland enorm succesvol is in de sprintnummers. Heeft de KNWU je nooit benaderd?
“Het baanland Nederland is natuurlijk supersterk en het sprintteam dat er nu staat is supersterk. Ik heb Hugo (Haak, bondscoach tussen 2018 en 2022 en opnieuw sinds 2024, red.) dit jaar wel een paar keer vervangen bij een training. Dan merk je dat er een team staat dat top op elkaar is ingespeeld, met topfaciliteiten, krachttrainers en een mooie omkadering. Het is een gearriveerd team, waar je meteen om de knikkers strijdt op WK’s en Olympische Spelen. Dat is een andere insteek dan wat ik in België tref.”

Bos was ook zelf succesvol op de baan – foto: Fotopersburo Cor Vos
“Zelf heb ik de voorbije jaren ontdekt dat ik het ook heel leuk vond om in een team als China te zitten. Daar had je wel het talent en de faciliteiten, maar niet de structuur. Beetje bij beetje heb ik de Hollandse school overgedragen op dat land, en het gaf me veel voldoening om te zien dat je die atleten beter maakt. De Chinezen reden niet voor de medailles, maar als coach is wat ik deed ook waardevol. Datzelfde zie ik in België. Ik stap terug in bij een ploeg die in opbouw is, en waar je als coach echt je ei kwijt kunt.”
Misschien was het ook lastiger om iets toe te voegen bij renners zoals Jeffrey Hoogland en Harrie Lavreysen, waar je zelf nog mee en tegen hebt gekoerst?
“Het is een andere manier van coachen bij een land als Nederland. Daar is het veel meer ‘managen’. Alle structuur staat in Nederland al als een huis. Je moet wel slim nadenken over keuzes op vlak van materiaal, tactiek en de aanvoer van talent van onderuit. Dat laatste is in Nederland nu wel een probleempje. De talenten die eraan komen hebben moeite om door te stoten naar de top en zelfs de subtop. Die basis is heel fragiel, maar voorlopig gaat het nog goed. Verder werk je bij die federatie heel erg binnen de krijtlijnen die er al staan.”
Is het niet gek dat een wielerland als België in deze discipline zo hard achter ligt op Nederland, dat de medailles als zoete broodjes binnenhaalt?
“Niet per sé. Uiteindelijk was er in Nederland ook niet veel toen ikzelf begon, begin jaren 2000. Het sprintprogramma is daar ontstaan dankzij een paar fanatiekelingen die graag wilden sprinten op de baan. Door er veel mee bezig te zijn, word je automatisch beter. We hebben destijds gekeken naar toplanden zoals Groot-Brittannië, met als doel dat te kopiëren. Wij waren pioniers voor Nederland, en op die manier hebben we een basis gelegd waar ze vandaag met de huidige generatie toppers op voortbouwen.”
“Kijk, als je Nederland en België eerlijk vergelijkt, is er even veel talent en zijn er net zo veel faciliteiten. In België heb je met de nieuwe piste in Zolder en de baan in Gent goede uitvalsbasissen. Er moet nu gewoon een degelijk plan en structuur komen. Dat woord ‘structuur’ klinkt misschien vaag, maar het is simpel: elke dag samenkomen op de baan of in het krachthonk, samen naar je doelen toewerken. En dat is het. Als je dat niet dag in, dag uit doet, laat je veel steken vallen en val je snel buiten de subtop. Dat wordt mijn uitdaging.”

Bos tekent bij Belgian Cycling – foto: Belgian Cycling
Welke stappen heeft Belgian Cycling al gezet?
“Mijn voorganger Jonathan Mitchell heeft een goede aanzet gedaan. Voordat hij als sprintcoach werd aangesteld, had je met Peter Pieters – mijn coach tijdens mijn succesjaren – enkel een overkoepelende coach, die ook de duuronderdelen voor de mannen en vrouwen zijn rekening nam. Uiteindelijk heb je wel die afsplitsing tussen een sprintcoach met expertise en een duurcoach nodig, om goed te kunnen werken. Onder Jonathan is er al een goede, jonge groep ontstaan. Dat was heel belangrijk naar de toekomst toe.”
Laten we de vraag eens omdraaien. Voor zover je dat nu al kunt inschatten: wat mist er nog bij de Belgen?
“Bij de renners zie ik een goede traptechniek. Ze zijn heel explosief en hebben inhoud. Over het algemeen staan ze eigenlijk best wel ver. Het enige wat er ontbreekt, in vergelijking met atleten in Nederland of China, is spierkracht. Ze zijn onderontwikkeld, op dat vlak. Eigenlijk liggen ze op dit moment best wel ver achter. Wanneer we dat beter kunnen maken, gaan ze automatisch harder fietsen.”
Over welke termijn spreken we dan? Halen ze de volgende Olympische Spelen in Los Angeles?
“Zo ver zijn we nog niet. De meest bekende Belgische naam, Nicky Degrendele (wereldkampioene keirin in 2018, red.), heeft net een kind gehad. Ze is keihard aan het werken om terug op haar niveau te komen. Als ze naar de Spelen van 2028 wil, moet ze zich eerst kunnen plaatsen voor het WK van dit jaar. Daar moeten we nu al mee beginnen en als dat lukt, moet ze zich via dat WK en andere wedstrijden bij de beste 35 rensters van de wereld rijden. Dat is haar beste optie om later naar de Spelen te kunnen. Het is een uitdaging, maar niet onmogelijk.”
“Renners kunnen zich niet alleen individueel, maar ook via de teamsprint plaatsen voor de nummers op de Spelen, maar bij onze vrouwen ligt dat momenteel lastig, omdat we naast Nicky en Zita Gheysens nog geen derde renster (een starter, red.) hebben. Bij de mannen is die selectie in de breedte wel al aanwezig. We hebben zes renners van een behoorlijk niveau, en met hen gaan we via het WK teamsprint een poging te doen om de route richting de Olympische Spelen open te houden. Ook dat wordt niet gemakkelijk.”

Bos in 2020 – foto: Fotopersburo Cor Vos
“Kort op je vraag antwoorden, kan ik dus niet. Dit hangt van veel factoren af. Maar belangrijk om te weten is dat we met een heel jonge groep zitten, en dan is meteen doorstoten naar de wereldtop heel uitdagend. We moeten nu gewoon beginnen. Als je met die zes sprinters, van wie Yeno Vingerhoets en Lowie Nulens nu de snelste zijn, keihard werkt, dan zet je in ieder geval een project op dat – zelfs al lukken de Spelen in Los Angeles niet – misschien Brisbane in 2032 wel een optie is.”
Wat verandert er voor jou op persoonlijk vlak?
“Uiteindelijk wordt de piste in Zolder onze uitvalsbasis, dus lijkt het mij logisch dat ik in België zal komen wonen. Ik ben momenteel nog op zoek naar een appartementje in Hasselt. Dat is ook wel echt nodig, want ik organiseer mijn trainingsschema’s met de renners meestal over zo’n vijf dagen per week. Het is intensief, maar juist wat ik wil.”
Teams Theo Bos
| Jaar | Team |
|---|---|
| 2026 | (NT) |
| 2025 | (NT) |
| 2016 | (WTT) |
| 2015 | (PCT) |
| 2014 |
Reacties zijn gesloten.