Tomas Van Den Spiegel: “Als we in 2040 niet enkel in Vlaanderen willen crossen, moeten we schakelen”
Interview Ah, de Wereldbeker! Ieder jaar goed voor talloze discussies in veldritland, maar de start – zondag in het Tsjechische Tábor – is vooral een goed moment om eens samen te zitten met Tomas Van Den Spiegel, die als CEO van Flanders Classics zowel de Wereldbeker als Superprestige organiseert. Wat is zijn kijk op de huidige kalender en de toekomst van de cross?
Dit seizoen zijn Van den Spiegel en co opnieuw gegaan voor 12 manches, waaronder zeven in België. “Ik denk dat er nu een bepaalde vorm van stabiliteit is in die kalender. We hebben er vorig jaar samen met de UCI voor gekozen om veel later te beginnen en de Wereldbeker te centreren tussen eind november en het WK. Dat is een goede zet geweest, de intentie is om dat zo te houden”, zegt de zakenman.
“Tegelijkertijd kennen we nog altijd de uitdagingen van de kalender. Het finale beslissingsrecht over de internationale kalender is trouwens van de UCI. Wij formuleren voorstellen en zij trachten jaarlijks tot een kalender te komen waar alle partijen, nationaal en internationaal, zich in kunnen vinden.”
Om er meteen van af te zijn, schotelen we je de twee kritieken die we het vaakst horen, aan je voor. Om te beginnen: de kalender zit rond Kerstmis veel te vol. 12 (!) crossen in 16 dagen – waaronder vijf Wereldbeker en drie Superprestiges van Flanders Classics – kan niemand aan, zegt Sven Nys.
“Het is vol, ja. Dat vind ik ook. Maar het lijkt ons belangrijk om de Wereldbeker als hoogste klassement op het voorplan te zetten in de belangrijkste periode van de cross. Daarin heeft de Wereldbeker zijn plaats. Het kan niet de bedoeling zijn dat wij moeten schuiven voor de regelmatigheidscriteriums die daar iets onder staan of voor de losse crossen, die de plaatsjes dan zouden innemen.”
Volgens Nys zou de Wereldbeker beter vroeger in het seizoen beginnen dan pas half november. Zo krijg je meteen ook minder centralisering rond Kerstmis.
“Ik zeg altijd dat wij er in principe geen probleem mee hebben om vroeger te starten. Maar dan kom je bij hetzelfde verhaal uit van daarnet. In het verleden hebben wij al verschillende malen plaats gemaakt om de renners op stage te laten gaan of om hen te laten rusten, maar dan zie je dus dat er andere organisatoren op die data organiseren. Dan helpt het niet om plaats te maken met de Wereldbeker.”

Van der Poel won voor het laatst in Besançon – foto: Cor Vos
“Daarnaast willen we toch echt vooral in de maanden zitten dat veldrijden wintersport nummer één is in heel veel landen. En dat is niet oktober en november, daar moeten we wel eerlijk over zijn. Veel wegrenners stoppen pas eind oktober met koersen en daarna verlegt de aandacht zich langzaamaan naar het veldrijden, met een piek in december en januari.”
De laatste jaren lijkt er qua internationalisering eerder een stap teruggezet. We zien geen Amerika, geen Val di Sole en nu ook geen Dublin meer in het schema. In welke mate is dat een bewuste keuze?
“Het is zeker niet dat we internationale locaties afschrijven. Met Flamanville en Benidorm hebben we duidelijke succesverhalen, Besançon heeft de ambitie uitgesproken naar de toekomst toe om terug te keren in de Wereldbeker. En we zitten met een hele boel interessante pistes voor de komende jaren. Ook in niet-traditionele crosslanden. We hebben goede hoop dat we daar met de Wereldbeker heen kunnen.”
Alleen moet je dat wel kunnen verkopen aan de crossploegen, die buitenlandse trips al langer te duur vinden.
“Ik denk dat het nog altijd een goed idee is om het veldrijden te globaliseren, maar we hebben in het verleden met de Amerikaanse manches inderdaad gezien dat het niet zo evident is. Het moet ten eerste compatibel zijn met de huidige kalender. Je kan niet zomaar in het midden van het seizoen heel ver gaan reizen, omdat de rest van de kalender dan onder druk komt te staan. Als we naar een verdere locatie zouden gaan, moet het wel een coherent verhaal zijn.”
Denk je dan nog steeds aan landen in andere tijdszones?
“Interesse uit andere tijdszones is er altijd, laat dat duidelijk zijn. Maar tussen interesse en haalbaarheid ligt de uitdaging voor ons. Dat is waar we de voorbije jaren wel vaker op gebotst zijn. Laat ons zeggen dat het vooral zal gaan om een aantal historische veldritlanden, maar ook een paar nieuwe landen. Veel hangt misschien ook samen met een mogelijke toetreding van de sport tot de Olympische Spelen.”

Sven Nys blijft kritisch op de Wereldbeker – foto: Cor Vos
Die olympische gedachte lijkt de voorbije weken actueler dan ooit. Wat zou het voor jullie veranderen, mocht het veldrijden olympisch worden?
“We zijn natuurlijk blij dat we destijds in Val di Sole hebben getoond dat veldrijden een echte wintersport is, en we de cross zo op de olympische agenda hebben gekregen. De sport speelt zich ook echt af in de winter, en we blijven vinden dat de cross zijn plaats heeft op de Winterspelen. Maar goed, dat ligt verder niet meer in onze handen. Het zou voor ons als organisator ook niet superveel veranderen, maar voor de sport ‘an sich’ natuurlijk wel.”
“Je ziet dat er in veel landen budgetten toegewezen worden aan sporten die olympisch zijn. Nu heb je veel toprenners met een verleden in de cross bij de jeugd, maar ze worden toch altijd weggezogen naar andere disciplines. De uitdaging bestaat erin om die renners in het veld te houden. In theorie zou een olympische status een extra boost kunnen geven om de startvelden te internationaliseren en versterken. Wout van Aert en Mathieu van der Poel zijn nu de paradepaardjes van de cross, maar zij hebben ook een eindigheid.”
Op korte termijn zouden jullie hen wel graag in jullie Wereldbekers zien, denk ik?
“Dat is heel belangrijk, ja. Ze zijn niet alleen de beste veldrijders van hun generatie, maar ook bij de vijf beste wegrenners van het voorbije decennium op de weg. Die wil je natuurlijk zo vaak mogelijk aan de start krijgen.”
“We hebben veel begrip dat ze niet meer in oktober of november kunnen starten, zoals in hun jonge jaren. Maar we hebben wel goede relaties met hun management om te kijken wat mogelijk is en wat juist niet. We proberen samen met hen dat programma samen te stellen, zonder te willen wegen op hun programma. We hebben doorheen het jaar ook nog een aantal andere belangen en events waar we hen graag bij willen.”
Kan de tweede evolutie, namelijk dat UCI-punten in het veld vanaf 2027 ook gaan meetellen voor de ranking op de weg, jullie daar in de toekomst bij helpen?
“Ik vind het interessant om te zien welke impact het nu gaat hebben. We moeten natuurlijk nu nog in de praktijk zien wat het gaat betekenen. Tegelijkertijd vind ik het een no-brainer en heel vreemd dat nog niet meer WorldTeams een veldritdivisie hebben opgestart. Ik zeg dat eigenlijk al jaren. Je kan evolueren van 8 à 9 maanden visibiliteit naar bijna de volledige 12 maanden aanwezigheid, voor relatief beperkte budgetten.”

Gaan meer WorldTeams zich op de cross storten? – foto: Fotopersburo Cor Vos
“Ik herinner mij dat Heinrich Haussler me zei dat hij niet alleen zijn winterconditie kon onderhouden door te crossen, maar ook een veel betere renner werd. En hij speelde nog niet eens mee aan de top. Misschien kan die nieuwe regel, wat dat betreft, enkele ploegen die twijfelden om zich op het veld te storten, toch over die drempel krijgen. Zeker als je ziet hoe moeilijk het is voor de klassieke veldritploegen om zich te handhaven.”
Een internationale kalender, de Spelen en UCI-punten: neem die drie factoren samen en er zit misschien wel iets moois aan te komen?
“Dat hopen wij wel. Iedereen begint stilaan te zien wat de impact van het veldrijden kan zijn. Benidorm was een goed voorbeeld, Val di Sole destijds ook. Daar hebben we met een relatief beperkte organisatie getoond dat veldrijden op veel verschillende locaties op een gemakkelijke manier kan worden georganiseerd. Als we die factoren die je daarnet noemt daaraan kunnen koppelen en de kalender iets meer gestructureerd en minder vol krijgen, dan heeft het veldrijden een heel mooie toekomst.”
Is dat waarom Flanders Classics zich vol op de cross blijft storten?
“Natuurlijk. Het blijft een sport die zich afspeelt op een moment in het jaar dat er weinig andere sport is. Wielrennen is internationaal heel populair. We hebben veel meer troeven in handen dan we in Vlaanderen soms beseffen. Dat is mijn grote persoonlijke frustratie soms. We zijn er totaal nog niet alles aan het uithalen dat erin zit. Als we in 2040 niet enkel nog in Vlaanderen en een beetje in Nederland willen crossen, dan moeten we nu durven schakelen. Het lijkt er we op dat we intussen op de goede weg zijn.”
Later deze week volgt deel twee van het interview met Van Den Spiegel, waarin hij zijn licht laat schijnen op de betaalmuur in het veldrijden, de verdienmodellen in de sport, de demografie van de veldritkijker en zijn plannen in de sport op de langere termijn.
UCI Cyclo-cross World Cup 2026-2027
| # | Datum | Wedstrijd |
|---|---|---|
| 1 | 23-11-202523-11 | |
| 2 | 30-11-202530-11 | |
| 3 | 07-12-202507-12 | |
| 4 | 14-12-202514-12 | |
| 5 | 20-12-202520-12 | |
| 6 | 21-12-202521-12 | |
| 7 | 26-12-202526-12 | |
| 8 | 28-12-202528-12 | |
| 9 | 04-01-202604-01 | |
| 10 | 18-01-202618-01 | |
| 11 | 24-01-202624-01 | |
| 12 | 25-01-202625-01 |
'UCI Cyclo-Cross World Cup powered by In Flanders Fields: from mud and sand to beer and fries'.
Verdienmodellen hebben altijd tegengestelde belangen ten opzichte van de sporters en de kijkers. Uiteraard ook gelijke belangen. Het is de taak van bonden om de belangen van vooral de sporters te behartigen, maar omdat het geld ook een weg vindt naar de bonden en beslissers, gaat deze objectiviteit helaas verloren.
De enige partijen die constant zeuren over "internationalisering" zijn de UCI, FC en Sven Nys. Typisch toch, dat daar nu net de grootste financiele belangen zitten, bij Nys dan enkel en alleen nog ingegeven door de druk vanuit Trek.
Veldrijden blijft een Nederlands/Belgisch feestje en meer niet. En 12 races in 16 dagen is gewoon een commerciële keuze om snel geld binnen te harken.
En dan nog het feit dat de uitzendingen achter een betaalmuur komen maakt dat deze sport alleen maar kleiner en kleiner wordt.
Het olympisch statuut + de commerciële waarde van e MTB-fiets zijn de grootste redenen dat het een internationalere uitstraling gekregen heeft.
Gravel is een stuk laagdrempeliger (en dus ook commercieel interessanter) dan CX. Daardoor was er al een groot participatieveld. En waar gravel zeker een stuk bekender is over de wereld, is het zeker (nog) niet groter dan Cyclocross hoor. Het profcircuit bij gravelen is een stuk kleiner en bijna enkel voor een EK/WK zijn er deel wegprofs die eens de oversteek maken.
Zelf vind ik het altijd raar dat cyclocross internationaal zo klein blijft. Het is voor mij in bijna alles beter dan de MTB of gravel-races.
Het heeft een enorme variatie in parcoursen, met gras, modder, zand, bos, klimmen en kunstmatige obstakels.
Het wordt doorgaans perfect in beeld gebracht, wat vooral in MTB soms dramatisch is.
Het is een kort en pittig format (max 1 uur).
Vaak (als VdPoel niet meedoet) een stuk spannender dan in MTB waar de verschillen hoger oplopen.
Het is commercieel ( toch in de lage landen) een enorm succes.
Want het geld dat omgaat in het prof CX circuit is stukken hoger dan in MTB of gravel. Daar heb je ook vaak slechts enkele toppers die pure MTB/gravel prof kunnen zijn, waar je in CX toch wel wat pure cross ploegen hebt met meerdere renners.
Alleen, als je alles samenpropt om één renner te plezieren dan maak je het wel ietwat onmogelijk om de WB-manches over een groter aantal landen te verdelen. Je kan niet elke week rondtrekken (en wat verder gaan dan Spanje dat nog te doen is met een slaapbus) en hopen dat de renners al die uren reizen goed verteren.
Ik heb nooit begrepen waarom die moest wijken voor de anonieme en telkens herwerkte versies (Protour/Worldtour/...) van de huidige UCI ranking (die trouwens ook al ten tijde van de Wereldbeker bestond). De WB was een ranking MET een competitieelement (renners maakten er een doel van), met prijzengeld en wat in het wielrennen belangrijk is: een trui (en wat voor één!). IMO mist(e) de UCI hier totaal het momentum: we hebben de laatste 5 jaar een historische generatie die weggaat van hyperspecialisatie. Hoe mooi zou het zijn om middels een WB die allrounders in die samen in het gros van de topklassiekers te krijgen?
Maar nog concreter: Flanders Classic zou volgens mij ook al veel geld kunnen ophalen door een cross te organiseren in de regio Amsterdam of strandcross ergens bij Den Haag. Wat meer centraal en beter bereikbaar met OV. Alles is in Zuid-Nederland. Modder en zand genoeg in Holland.