‘Duizenden wielerliefhebbers zoeken vrijwillig kasseien op, maar waarom? Wat is daar zo leuk aan?’
Kasseien en wielrennen gaan hand in hand, zeker in het klassieke voorjaar. De Ronde van Vlaanderen en Parijs-Roubaix zijn de grootste wedstrijden op de wielerkalender die over kasseien gaan. Maar niet iedereen is fan van kasseien. Schrijver Jesse van Dalen bracht samen met uitgeverij Edicola het boek ‘Ik haat kasseien’ uit. Wielerflits mag het voorwoord en de inleiding delen en met een winactie vijf exemplaren weggeven.
Voorwoord
Er was eens, lang geleden, een jongeman die droomde van een carrière als beroepsrenner. Zonder al te veel succes fietste hij mee bij de junioren van de Nederlandse Wielren Bond, in de volksmond de “wilde bond”, met criteriums in Limburg en Brabant. Geen sprintersbenen, dus geen uitslagen.
Op een dag fietste hij de grens over vanuit Midden-Limburg, reed door het centrum van Maaseik en bereikte Opoeteren. Na een venijnig macadamklimmetje sloeg hij rechtsaf en stuitte daar op een onvervalste kasseienstrook, langs een boswal, met schots en scheefliggende stenen. Voor het eerst in zijn leven onderging hij de sensatie van de stuiterende fiets, de trillende ledematen en het gevoel dat hij heilige grond had betreden.
Dit was pas koersen, precies zoals zijn helden het deden in de Ronde van Vlaanderen, Parijs-Roubaix en vele Vlaamse stenenklassiekers. Na het kasseienpad sloeg hij opnieuw rechtsaf, de met betonplaten geplaveide klim op, voor nog een rondje. En nog een rondje. En nog een rondje. Het was heerlijk. Alsof hij nooit anders had gedaan. Het stuur losjes in de handen, het achterwerk een stukje naar achteren op het zadel en een tandje erbij. Hij had het gevoel dat hij vloog. Toen in datzelfde jaar Freddy Maertens in Dilsen Belgisch kampioen werd op een parcours met diezelfde kasseienstrook, wist hij het zeker: hij zou Flandrien worden.
Het zal niemand verbazen dat het leven vaak anders loopt dan verwacht, of beter gezegd: dan gehoopt. Het kwam er niet van, die profcarrière. Een studie, een baan als leerling-journalist bij een regionale krant en na vele omzwervingen uiteindelijk een droombaan: wielercommentator bij de NOS. Hij mocht vanaf de motor, de eretribune in koers, de renners van dichtbij bekijken en vele verhalen vertellen over enerzijds de schoonheid en anderzijds het wrede gezicht van de wielersport.
De kasseien bleven hem inspireren. Zeker toen zijn piepjonge dochter aardig bleek te kunnen fietsen en met meer succes dan hij wedstrijden ging rijden. Ze kon tijdrijden, ze kon klimmen. Hij vroeg zich af of ze ook over de stenen kon rijden. Op een ochtend vertrokken ze in alle vroegte naar de Vlaamse Ardennen, naar Geraardsbergen. De auto werd gestald op de parkeerplaats van een supermarkt, niet ver van De Muur. De wielen gingen onder de fietsen en de bandenspanning een paar bar lager dan gewoonlijk. Ze fietsten weg bij de helling. Die werd voor het einde bewaard. Eerst wennen aan de stenen.
Op de allereerste kasseienstrook, een eindje bij Geraardsbergen vandaan, stuiterde de dertienjarige al de berm in. De fiets leek onbestuurbaar. “Niet leuk”, zei ze. Hij stelde voor om het nog niet op te geven en kwam met het advies om te doen wat hij als puber op die stenen bij Opoeteren als vanzelf had opgepikt. Kont naar achteren, tandje erbij, in het midden van de strook blijven rijden en niet al te krampachtig het stuur vastpakken. “Laat die fiets maar lekker lopen”, zei hij nog. Een dik kwartier later vloog ze over de kasseien. Dezelfde strook, telkens weer, van voor naar achteren, van achteren naar voor. Hij kon haar niet meer bijhouden. Hij wist het zeker: ze zou een vrouwelijke Flandrien worden.
Het zal niemand verbazen dat ook haar leven anders liep en dat de fiets daarin uiteindelijk geen hoofdrol ging spelen. Toch bleef hij die gelukzalige gedachte koesteren dat het dokkeren over kasseien vader en dochter blijkbaar in de genen zat. Dat het alleen maar een jammerlijke speling van het lot was dat het talent nooit ontbolsterde.
Toen kwam er een waterkoude maartse dag in het noorden van Frankrijk. Met een collega van de NOS was hij afgereisd naar Arenberg. Daar stond Hennie Kuiper te wachten, op een parkeerplaats niet ver van het Bos van Wallers, de Troué d’Arenberg, het beruchtste stukje kasseienweg op aarde. Het leek zo’n mooi plan: radioverslaggever fietst met de ex-winnaar van Parijs-Roubaix de finale van de koers. Zij aan zij, pratend over de uitdagingen van de route, de valkuilen, de moordende stroken en de tactiek van een beroepsrenner, ook al was het alweer heel wat jaren geleden dat Kuiper de Hel van het Noorden had gewonnen. De gesprekken konden dankzij een zender en een ontvanger worden geregistreerd in de volgauto. Mooie radio.

Oud-wielercommentator Gio Lippens – foto: Raymond Kerckhoffs
In het Bos, de meest gevreesde strook, viel het nog mee. De verslaggever voelde zich weer even de jongeman van weleer, soepel rijdend over de willekeurig neergekwakte kasseien, de handjes losjes op het stuur. Dus toch een aangeboren talent, dacht hij nog. Een kilometer of dertig verderop, inmiddels viel de natte sneeuw op de stenen, reden ze achter elkaar. Ze naderden een haakse bocht, een glimmende winkelhaak, te midden van de gitzwarte akkers. Kuiper draaide zijn hoofd even om. “Tegen het midden van het pad blijven rijden”, riep hij. “Niet eroverheen.”
Even later stond de verslaggever geparkeerd in de zompige modder. De fiets was zijn eigen gang gegaan, aan de verkeerde kant van de bolling in de kasseienstrook terechtgekomen en onherroepelijk rechtdoor gereden, de haakse bocht negerend. Desillusie nummer één. Hennie Kuiper wachtte geduldig. Hij had zijn fiets feilloos de hoek om gereden.
Weer even later. Een oplopende strook, waarvan de naam de verslaggever vele jaren later wijselijk uit zijn geheugen heeft verbannen. Kuiper rijdt op kop, uiteraard rijdt Kuiper op kop. Nog steeds die karakteristieke stijl, zittend in het zadel, een beetje stoempend, de rug licht gebogen, de kracht komt ergens daaronder vandaan. De verslaggever probeert in zijn wiel te blijven, maar ziet de billen van Kuiper langzaam wegrijden. Eerst centimeter voor centimeter, dan decimeter voor decimeter, daarna meter voor meter. Alsof er op een klim wordt gereden, niet op een stomme kasseistrook. Het lijkt de voormalige winnaar geen moeite te kosten, het wurgen van de verslaggever. Desillusie nummer twee.
De douche in het stenen gebouw naast de wielerbaan van Roubaix verzacht de pijn, de verslaggever trekt aan het metalen koordje waarmee het warme water blijft stromen. Het lijkt een varkenshok, met stenen wanden tot op borsthoogte, maar het is opnieuw heilige grond. Daar dringt het besef ten volle door in het brein van de verslaggever, de jongen van weleer. De liefde voor kasseien is voor eeuwig, ook al is het talent ontoereikend.
– Gio Lippens
Elk voorjaar trekken tienduizenden wielerliefhebbers naar Vlaanderen en Noord-Frankrijk om zich vrijwillig af te beulen op de keien. Maar waarom? Om dat te ontdekken fietste hij zelf de Ronde van Vlaanderen en sprak hij met dertien bekende figuren uit de wielerwereld. Een boek over pijn en plezier, afzien en extase, en de dunne lijn tussen marteling en geluk op twee wielen.
Jesse van Dalen (23) is een pas afgestudeerde journalist met een grote passie voor wielrennen. Op vrije dagen stapt hij graag op de fiets voor een rondje, om daarna op de bank neer te ploffen en te kijken hoe de échte helden zich uit de naad trappen op kasseien of loodzware cols.
Inleiding
‘De weg meandert lichtjes verder. Ik hou van dit soort wegen: smal en vol verrassingen. Elke bocht en kronkel prikkelt de nieuwsgierigheid naar wat de volgende bocht verbergt. Het weiland links naast me ligt ongeveer een halve meter hoger dan de weg. Een boer is bezig met het omploegen van zijn grond, zodat het er weer mooi bijligt tijdens de volgende Ronde van Vlaanderen.
De volgende kronkel blijkt de scherpe grens tussen asfalt en kasseien te verbergen. De weg helt onmiddellijk verder en het enige dat door mijn hoofd gaat is: we gaan beginnen, we gaan beginnen, de Oude Kwaremont, potverdorie! Mijn benen voelen even niets; ze zijn alleen benieuwd naar wat komen gaat. De signalen van verzuring worden ergens tussen mijn hoofd en benen onderschept. Ik versnel richting de kasseien. De boer heeft nog genoeg werk te verrichten. Een weiland verder staat een maisveld, zou dat ook van hem zijn? Ik kijk naar rechts naar de kerk en de huizen van Kwaremont. Prachtig! Nog verder naar rechts. Jammer. Een tamelijk lelijke fabriek laat wolkjes uit zijn schoorstenen stijgen. De realiteit is hard. De laatste meters glad asfalt komen eraan. Tik. De stuurpen tikt tegen het frame wanneer mijn wiel de eerste kasseien van de Oude Kwaremont raakt.’
“Elke wielerwedstrijd was ooit een kasseienkoers”, stelt Martijn Sargentini, auteur van Koersen over Kasseien & Kiezelstenen in Nederland. Vroeger bestonden de wegen in Noordwest-Europa vooral uit grind, aangestampte aarde, puin en klinkers, maar vooral uit kasseien. Hoewel Sargentini’s uitspraak niet letterlijk klopt — niet elke koers gaat zo ver terug in de tijd — is zijn punt duidelijk: kasseien vormden ooit de ruggengraat van de wegen en daarmee van de wielersport.

De naam ‘kassei’ gaat meer dan 2000 jaar terug, naar de tijd van het Romeinse Rijk. Kasseienwegen weerspiegelen de evolutie van de wegeninfrastructuur. De Romeinen gebruikten als eerste de kasseien om hun heirbanen (strategisch aangelegde verharde langeafstandswegen in het Romeinse Rijk voor het leger) aan te leggen. Het Latijnse woord ‘calceata’ betekent een met stenen bedekte weg. De directe link tussen ‘kassei’ en ‘calceata’ lijkt misschien niet duidelijk, maar door verbasteringen ontstaat er een verbinding. In het Oud-Picardisch, een Romaanse taal uit de Franse regio Hauts-de-France en de Belgische provincie Henegouwen, veranderde ‘calceata’ in ‘cauchie’. Later maakten de Fransen er ‘chaussée’ van en in België en Nederland werd dat ‘kassei’. In Nederland noemen we stenen die hobbelige wegen vormen ‘kinderkopjes’, we vinden de stenen namelijk lijken op kleine kinderhoofden. En daar rijden we dan lekker overheen, vrij luguber als je het mij vraagt. Ik geef de voorkeur aan ‘kassei’. Het is ook gewoon een lekker woord.
Het Vlaams woordenboek beschrijft een kasseienkoers als een wielerwedstrijd waarin renners over veel kasseienstroken rijden. Deze stroken zijn vaak beslissend voor het verloop van de koers. En als het om kasseien gaat, geloof ik de Vlamingen op hun woord. Kasseien maken in Vlaanderen namelijk deel uit van de cultuur. In Nederland hebben we molens, kaas, klompen en tulpen. In België doen ze het met een pissend mannetje en kasseien.
In ons kikkerlandje zijn we dan wel weer dol op klinkers. Tijdens mijn fietstochten zie ik ze vaker dan me lief is onder mijn wielen wegschieten. Het lijkt wel een wet dat elke stad, elk dorp, elk gehucht of zelfs elk plekje met vier huizen bij elkaar een klinkerweg moet hebben. De liefde voor klinkers is in sommige dorpen obsessief. Ik ben persoonlijk minder fan. Het stuitert mij te veel. Ik word er boos en geïrriteerd van. Op de fiets neem ik regelmatig een omweg om een klinkerstraat te vermijden. Doe mij maar een gladde, zwarte asfaltweg, dan ben ik gelukkig. Zo’n weg die de hele dag vochtig blijft na één kleine regenbui. Een fiets hoort volgens mij geen ander geluid te maken dan het zachte zoeven van de banden op een strak asfaltdek.
Daarom ben ik blij dat ik nu leef, in 2025. Het lijkt me niets om in 1868 te leven, het jaar waarin de wielersport ontstond. Vijf decennia eerder vond de Duitser Carl von Drais de eerste houten loopfiets uit. Pas in 1861 introduceerden de Franse vader en zoon Michaux de vélocipède, een trapfiets met een groot voor- en een klein achterwiel. Op 18 mei 1868 vond daarmee in het Parc de Saint-Cloud in Parijs de eerste officiële wielerwedstrijd plaats, een van de belangrijkste momenten in de geschiedenis van de mondiale sportwereld — al zeg ik als wielerfan dat natuurlijk met enige subjectiviteit. De winnaar van deze eerste race was een zekere Polocini, een man die verder weinig faam heeft vergaard. De tweede wedstrijd van die dag werd gewonnen door de Brit James Moore. Hij groeide uit tot de grootste vélocipèdekampioen!
Daarna groeide de sport snel. Niet alleen in Parijs, maar door heel Frankrijk en Europa ontstonden steeds meer wedstrijden. In 1869 organiseerde het Parijse tijdschrift Le Vélocipède Illustré de eerste wielerwedstrijd op de openbare weg. De route liep van Parijs naar Rouen, een afstand van 123 kilometer. Maar liefst 198 mensen vonden het een goed idee om met hun vélocipède deze afstand te overbruggen. James Moore won in 10 uur en 44 minuten. Een week later kwam de allerlaatste deelnemer over de finish. Parijs-Rouen markeerde het begin van de wielersport én van de kasseienkoersen. Martijn Sargentini zei het al: “Elke wielerwedstrijd was ooit een kasseienkoers.”

foto: Fotopersburo Cor Vos
Ook de route van Parijs naar Rouen, 150 jaar geleden, lag vol met kasseien. Hoewel deze koers niet meer bestaat, blijft de kassei de levensader van veel andere wedstrijden. Sargentini: “De wielerkoers en de kassei hebben elkaar nodig. Ze versterken elkaar. De koers heeft de kassei beschermd en de kassei heeft zijn liefde teruggegeven door selectief en uniek te zijn. Ze houden elkaar in een wurggreep. Verdwijnen de kasseien, dan verliest de koers zijn charme. Verdwijnen de koersen, dan verdwijnen ook de beschermers van de kasseistroken. Want dan is het niks meer dan een doodnormale weg.”
In het hedendaagse wielrennen spelen kasseien vooral een hoofdrol in het voorjaar, beter bekend als het klassieke wielervoorjaar. Dit is zonder twijfel een van de mooiste periodes van het wielerseizoen en dat komt grotendeels door die kasseien. Daarom zit ik aan de buis gekluisterd, wegdromend bij legendarische verhalen over de Oude Kwaremont, de Muur van Geraardsbergen en de Koppenberg. Als liefhebber geniet ik van de kasseienwedstrijden en het afzien van de renners, maar ik snap niet waarom ze eraan beginnen. Waarom zou je in hemelsnaam vrijwillig over kasseien willen fietsen? Wat voor kick haal je uit dat ongemak en die pijn? Is het een verslaving? Word je er gelukkiger van? Wat is er in vredesnaam toch leuk aan kasseien?
Als amateurwielrenner haat ik klinkers. Ik haat boomwortels die het asfalt omhoogdrukken. Ik haat drempels en betonplaten die net niet perfect aansluiten. Dus als er iets is wat ik écht haat, dan zijn het wel kasseien! Toch zeggen oud-renners als Steven de Jongh niets liever te doen dan zo hard mogelijk over kasseien te fietsen. Elk jaar zoeken duizenden wielerliefhebbers vrijwillig die kasseistroken op. MAAR WAAROM? Wat is daar zo leuk aan? Waar vind ik die onbegrijpelijke liefde voor kasseien?