Column Remko Mulder: “Raar en Onredelijk”
zondag 17 juli 2011 om 00:15

Column Remko Mulder: “Raar en Onredelijk”

Het ziet er gemoedelijk uit, langs het parkoers van de tijdrit. Manlief zit op een tuinstoel in het zonnetje naast de camper met Nederlands nummerbord. Slippertjes, zonnebril, blote bast en een Franse sportkrant op schoot. Met een rood potlood heeft hij wat kruisjes gezet bij enkele renners uit het algemeen klassement. In de deuropening verschijnt vrouwlief met twee dampende koppen koffie. Vijftigers, zo op het eerste gezicht. De koektrommel op de campingtafel staat op een kier.

De scheerlijnen van de voortent zijn uitbundig versierd met tientallen oranje vlaggetjes. “Dat ziet er vrolijk uit, dat zal vanmiddag enorm helpen!”. Het is vriendelijk bedoeld en mevrouw glimlacht. Maar als mijnheer zijn zonnebril afzet, hebben zijn ogen vlam gevat. “Nou, dan hadden ze gisteren ook wel wat harder naar boven kunnen rijden!”

Wat bezielt ons Nederlanders, dat we de teleurstellende prestaties van de Nederlanders in de Tour de France op afstand zo persoonlijk opvatten? Wat komen we tekort? Welke trauma’s worden gekieteld? Op alle mogelijke manieren zoeken we naar middelen om geen minuut van het grootste jaarlijkse sportevenement te missen. Het aantal landgenoten in de Tour is in jaren niet zo hoog geweest. We hebben kandidaten op diverse fronten. Het kan niet op. Maar het kan altijd mis gaan. Voor zover een sportprestatie op die manier in zulke termen beoordeeld mag worden…

Waarom voelen we ons persoonlijk bedrogen door jonge wielrenners, als ze niet presteren zoals ze vooral zelf gehoopt hadden? Hoe komt het dat we het gevoel hebben dat ze ons iets waardevols afnemen, terwijl ze juist hun uiterste best doen om hun Nederlandse fans zo veel mogelijk te geven? Natuurlijk, daar worden de betreffende sporters niet slechter van, want ze worden er prima voor betaald. Of hebben we het idee dat ze hun best niet doen voor dat prettige salaris? Nee, dat durven we dan ook weer niet hardop te stellen. Al zou hij best wat meer karakter mogen tonen.

Robert Gesink, de Nederlandse kopman van Rabobank, moet nu in zijn eentje datgene ondergaan, wat een voltallige selectie van het Nederlands voetbalelftal doormaakt na een zwaarbevochten gelijkspel tegen een zogenaamd ‘klein land’. De hoop van de natie weegt loodzwaar op zijn ranke schouders, maar hij kan in de verste verte niet voldoen aan de hooggespannen verwachtingen. Fysieke excuses tellen niet en we vergeten maar al te graag dat hij pas 25 jaar oud is.

We vergeten ook, dat hij tegelijkertijd evenmin kan voldoen aan zijn eigen verwachtingen, die van zijn ploegmaats en van de sponsor. En dat hij daardoor te maken krijgt met een enorme reeks aan opeenvolgende sportieve teleurstellingen, naast de voortdurende lichamelijke last vanwege een zware valpartij. Ja, we kennen zijn familiaire omstandigheden, we zijn op de hoogte van het noodlottige overlijden van zijn vader. Maar kom op. Dat is toch onderhand ook al weer ruim een half jaar geleden? Recht die rug, breed die schouders!

We vinden onze eigen teleurstelling veel belangrijker dan het persoonlijke drama waar de jonge wielrenner mee heeft af te rekenen. Dus hebben we het recht om boos te zijn en om die boosheid op alle mogelijke manieren te uiten. Boos op de renner en boos op diens ploegleiders. Zijn trainer snapt er niets van en heeft zijn sponsor eigenlijk wel het beste met hem voor? Hier zitten we toch niet op te wachten, precies op het moment dat nota bene de Belgen alles winnen wat los en vast zit? Zijn ‘we’ weer Roomser dan de Paus en moeten ‘wij’ misschien ook eens aan een fatsoenlijke preparatie denken? Doping? Nee, natuurlijk niet, heb je ons dat horen zeggen? De anderen, ja, de anderen doen dat wel. Hoe zijn hun prestaties anders te verklaren?

We zijn een onredelijk volk. Maar we zijn niet alléén maar onredelijk. We zijn ook een raar volk. Want zodra het peloton de Alpen binnen rijdt, waar we met zijn allen als een tsunami van Nederlanders de goedkope campings hebben overspoeld, dan keren we als een blad aan de boom om. Dan komt het allemaal zo dicht bij, dat we er in op willen gaan. En als we ergens in op gaan, dan maken we er een feestje van. Is het niet in de vorm van een Holland House, dan wel door een berg of een stad als Nederlands te bestempelen. Of minimaal een haarspeldbocht halverwege zo’n berg. En dat moet iedereen weten!

Op vrijdag 22 juli zullen de renners uit de Tour de France arriveren op Alpe d’Huez, de berg waar in de niet al te recente Tourgeschiedenis acht keer een Nederlander als winnaar over de streep kwam. Massaal verlaten we onze campings om ons te verzamelen in bocht 7 (de zelfbenoemde Nederlandse bocht) of bocht 16, bij de plaquette van Joop Zoetemelk. Twee avonden eerder beginnen we met feesten en we houden pas op als we de laatste renner eigenhandig naar boven hebben mogen duwen, of hij nu wil of niet.

Eigenlijk is het wel prettig dat die Nederlanders zo ver achterin rijden. Dan hebben we er langer lol van en dan hebben we ruimschoots de kans om ze aan te raken en te duwen. Jammer eigenlijk, dat Kenny van Hummel niet meedoet. Het wedstrijdverloop maakt eigenlijk niet uit. Dat lezen we na afloop wel op internet of in de krant. Televisie? Nee, we gaan toch niet naar die zure Smeets of die nerveuze Nelissen kijken? En doe nu nog maar een biertje!

Juist omdat we niet alleen onredelijk zijn maar ook raar, hebben onze Tourrenners de ultieme houvast om met perspectief door te gaan in de Tour de France. Ondanks de tegenvallende prestaties. Allemaal kijken ze uit naar de processie door de Alpen en dan in het bijzonder naar de dag van Alpe d’Huez. Ze zullen allemaal in de kopgroep willen zitten, hoe groot de fysieke of mentale ongemakken ook zijn. Ook Robert Gesink. Nee, juist Robert Gesink. Niet voor ons, niet voor die onredelijke en rare landgenoten, maar voor zichzelf, voor zijn ploeggenoten en zijn sponsor. En terecht.

Columnist Remko Mulder (xistnc) volgt de Tour de France van 2011 van dichtbij en zal regelmatig verslag doen op WielerFlits.nl en Eyserbos.nl.

Bestel de Tourgids
Tour de France-poster