Tom Dumoulin, Bram Tankink en Simon Geschke oog in oog met gorilla’s in Rwanda
foto: Maxim Horssels

Tom Dumoulin, Bram Tankink en Simon Geschke oog in oog met gorilla’s in Rwanda

Special Dat het WK wielrennen in Rwanda plaatsvond, zal geen wielerliefhebber ontgaan zijn. RIDE Magazine trok met Tom Dumoulin, Bram Tankink en Simon Geschke door het Afrikaanse land om de wegen te verkennen waarop Tadej Pogacar eneke weken later opnieuw wereldkampioen zou worden. Een trip die de drie ex-profs niet snel zullen vergeten. En RIDE’s Maxim evenmin.

Tom Dumoulin heeft op twee wielen unieke prestaties geleverd. Hij heeft in grote rondes zijn zeldzame talenten bewezen. Hij heeft een wereldtitel veroverd en zijn naam op vele erelijsten gegraveerd. Dumoulin is iemand die fysiek en mentaal verder is gegaan dan wat redelijkerwijs van een mens verwacht kan worden. En toch zit hij nu in een vliegtuig naar Rwanda om een jongensdroom uit te laten komen.

Niet om nog iets te winnen. Niet om records te breken of zijn naam nog groter te maken. Hij komt hier voor iets wat de gewone mens ook kan bereiken, maar wat hem zijn hele leven is ontgaan: iets zien wat bijna nergens meer bestaat. Een berggorilla in het wild. Een moment waarop hij niet degene is die wint, maar degene die toekijkt.

De mannen die met hem meegaan zijn zijn voormalige collegae en vrienden Simon Geschke en Bram Tankink. Zij hebben ook jarenlang alles gegeven op de fiets. Gewonnen, verloren, gevallen, opgesprongen, geknokt. Hoe rijk hun palmares ook is, dit moment in het hart van Afrika plaatst hen in de schaduw van de grootste leven apen. Dit moment moet je verdienen met het vermogen om je klein te voelen in iets veel groters.

Op papier is het eenvoudig. Er zijn ongeveer zeshonderd wilde berggorilla’s in Rwanda, verspreid over een handvol families in het Volcanoes National Park. Elke dag gaan gidsen erop uit, dezelfde routes, dezelfde sporen. Ze vinden ze bijna altijd. Maar of dat ook het geval is tijdens jouw expeditie weet je pas als je al een paar uur bergop aan het klauteren bent over smalle en dichtbegroeide bergpaden.

De expeditie naar de wilde berggorilla’s is het slotstuk van een vierdaagse reis door het Afrikaanse land. Op uitnodiging van Visit Rwanda, dat het toerisme in het land stimuleert. RIDE Magazine is ook mee. Om de trip te beschrijven in dit artikel.

Lege straten

Het is halverwege september als ‘s ochtends vroeg het vliegtuig landt in Kigali, de hoofdstad van Rwanda. Met een tussenstop in Qatar en een nachtvlucht is de heenreis ten einde. “Voor de eerste keer echt in Afrika”, vertelt Dumoulin. Net als Tankink en Geschke is hij al meerdere keren in Zuid-Afrika geweest. “Een keer voor een trainingskamp met Michael Matthews die ons uitnodigde om mee te gaan, en een keer voor vakantie. Maar Zuid-Afrika is een ander soort Afrika. Van Rwanda weet ik niet zoveel.”

Na even te hebben opgefrist en een ontbijt wacht een autorit van twintig minuten door het stadshart van Kigali richting het Kigali Genocide Memorial. Het is zondagochtend. Wat opvalt zijn de lege straten in dit deel van de stad. Kigali telt meer dan één miljoen inwoners, maar dat is op deze vroege ochtend niet te zien aan het straatbeeld.

Tijdens de autorit gaat het gesprek over het fameuze zwarte gat. “Hoeveel jaar ben je prof geweest”, vraagt Geschke aan Tankink. Achttien jaar is het antwoord. “Gestopt in 2018.” Met grote ogen en een ‘wow’ uit Geschkes mond komt het gesprek op gang. De inmiddels 39-jarige Duitser was tot vorig jaar beroepsrenner. In zijn eerste maanden als wielerpensionado is het zoeken naar een nieuwe balans. “De druk, de onzekerheid en het altijd moeten trainen mis ik niet. Wel het op pad zijn met ploeggenoten en het toewerken naar een doel.” Minder dan een jaar geleden is hij ook nog vader geworden van een dochter en is hij verhuisd naar een nieuwe woonplaats.

Ook voor Dumoulin is het profbestaan een gesloten boek. Tien jaar lang deed hij alles voor een sport die steeds meer van een atleet vraagt. “De wielerwereld ten tijde van dat ik prof werd in 2012 is niet te vergelijken met hoe het nu is. Alles is nog wetenschappelijker geworden. Training, voeding, kleding en koersstrategieën. Het is helemaal uitgeplozen. Jonge talenten leven veel strikter dan ik dat destijds moest doen. Die levensstijl ging mij wat tegenstaan. Als je ziet dat renners die er alles voor doen eraf worden gereden alsof ze nieuwelingen zijn, omdat er zo hard gereden wordt, ben ik blij dat ik geen wielrenner meer ben.”

“In mijn tijd was het een uitdaging om zo lang mogelijk te trainen met zo min mogelijk eten en drinken. Zo hard mogelijk trainen”, lacht Tankink. “Nu is het de kunst zoveel mogelijk koolhydraten in te nemen en juist zo fris mogelijk thuis te komen.”

foto: Maxim Horssels

Donker

De auto draait een heuvel op. De weg wordt stiller. Het Kigali Genocide Memorial staat op de plek waar 250.000 slachtoffers zijn begraven. Dit is geen museum in de traditionele zin. Dit is een begraafplaats. De voortuin bestaat uit grote herdenkingstuinen. De Vlam van Herinnering brandt hier sinds de opening in 2004. De mannen stappen uit en lopen voorzichtig naar beneden. De bakstenen structuur van het memorialcentrum ligt ingebouwd in de helling. Je kunt er vrij naar binnen stappen. In de ontvangstruimte is een prominente donatiezuil voor wie een bijdrage wil doen.

In de kelder is een tentoonstelling met foto’s van slachtoffers die door familieleden zijn aangeleverd. Video-getuigenissen van overlevenden worden afgespeeld. Eén afdeling, ‘onze toekomst verloren’, is geheel gewijd aan de duizenden kinderen wier levens in 1994 werden afgebroken; veertien verlichte foto’s van vermoorde kinderen, elk met een kort verhaal van hoe zij leefden en stierven.

Naarmate we verder de expositie in gaan, wordt het steeds stiller, de kamers donkerder. Iedereen wandelt op zijn eigen tempo door de expositie. De foto’s en teksten op de wanden maken diepe indruk. Rillingen over de rug. Ergens wisten ze wel iets over de genocide van 1994 die ongeveer 800.000 Rwandesen het leven kostte. Ooit iets van gezien op het journaal of mee gekregen in een geschiedenisles. Maar nooit zo direct als hier, nooit zo gedetailleerd, nooit zo persoonlijk. De gezichten op de foto’s vertellen hun eigen verhaal. Het verhaal van de Hutu’s en Tutsi’s, van etnische verdeeldheid en systematische moord, was voor velen nog steeds onbekend of verdrongen. Maar hier, waar 250.000 slachtoffers rusten, wordt het onmogelijk om weg te kijken.

Bij het verlaten van de kelder laat je in meerdere opzichten de duisternis achter. In het felle buitenlicht is het even bij zinnen komen. Geschke slaakt een diepe zucht. “Dit is donker. Het is bijna niet te bevatten wat hier iets meer dan dertig jaar geleden heeft plaatsgevonden.”

In Rwanda kent vrijwel iedereen iemand die is omgekomen, zo ook Pacifique ‘Pax’ Girinshuti, van Kingfisher Journeys, die deze trip begeleidt. “Twee familieleden liggen daar begraven”, zegt hij terwijl hij naar voren wijst, naar een grote muur waar de namen van slachtoffers ingebeiteld staan.

Geen vluchtheuvels

Kigali maakt zich klaar voor het wereldkampioenschap wielrennen. Al is daar in het straatbeeld nog weinig van te zien. Nergens reclameborden of vlaggen. Op een handvol plekken is iets te zien wat direct verwijst naar het evenement dat hier over twee weken zal plaatsvinden. Voor alle weggebruikers is wel al iets wezenlijks veranderd.

Op de ruim vijftien kilometer lange plaatselijke omloop zijn alle vluchtheuvels alvast verwijderd. En dat zijn er nogal wat. De Rwandese hoofdstad is tegen verschillende heuvels opgebouwd. Geen meter is vlak. De vele afdalingen zijn een verleidelijke valkuil om te hard te rijden. De witte kalkletters ‘speed humps’ is het enige wat verwijst naar al die plaatsen waar de vluchtheuvels normaal liggen.

Voor Dumoulin, Geschke en Tankink zijn drie mountainbikes geregeld. Niet de allernieuwste en ook niet de juiste framemaat, maar goed genoeg om het WK-parcours te verkennen en om de volgende dag in het binnenland offroad te gaan.

Op de parkeerplaats van het hotel staan voor het oog drie fietsen in min of meer dezelfde staat. Na een paar rondjes te hebben gereden en de zadelhoogte is bepaald, denkt Tankink de beste fiets te hebben gekozen. Daar vergist hij zich in. Maar dat komt nog.

De framemaat, het gewicht, de wielen. Het maakt Dumoulin weinig uit. Hij hecht vooral waarde aan het merk van zijn mountainbike. “Als ambassadeur van Giant is het voor mij belangrijk om op een frame van Giant te fietsen.” Wij van WC-eend, maar dan anders. Hij bedankt de gids Pax voor het inwilligen van zijn verzoek.

De mooiste fiets is van Innocent Niyireba (28). Op zijn grijszwarte Canyon Grizl gravelbike gaat hij het drietal vergezellen op de fiets. Innocent is opgegroeid in Kigali en kent de wegen als zijn broekzak. “Je staat behoorlijk scherp”, valt Geschke op. “Scherper dan ik”, knipoogt Dumoulin.

Innocent is aan het toewerken naar zijn grote doel. Niet het WK wegwielrennen in eigen land, maar het WK Gravel in Zuid-Limburg. Wat volgt is een gesprek waarbij Innocent van de ene in de andere verbazing valt, want uitgerekend Tankink is degene die de route van het WK Gravel parcours door Maastricht, Beek en Beekdaelen heeft uitgetekend. Weken later is Innocent inderdaad van de partij in Zuid-Limburg. Hij legt het parcours af in net wat minder dan zes uur.

De mannen stappen op de fiets. Het is maandagochtend en het contrast kan bijna niet groter. De lege wegen van een dag eerder zijn veranderd in een verkeersinfarct. Overal mensen, auto’s en vooral héél véél brommers. Ze zijn met name populair als taxi.
Zigzaggend tussen het verkeer rijden ze over de WK-omloop. Langs de golfbaan, over de Cote de Kigali Golf richting een stuk parcours wat iedere wielerfan inmiddels wel kent, de Mur de Kigali. Een kasseiheuvel met een cultstatus. Vierhonderd meter lang met stijgingspercentages tot elf procent. De beelden uit de Ronde van Rwanda zijn de wereld overgegaan, dankzij het massale publiek dat langs de weg uitzinnig supportert voor de wielrenners.

foto: Maxim Horssels

Competitiedrang

Aan de voet spreken ze af het rustig aan te doen. Maar de competitiedrang blijkt toch sterker. Tussen alle auto’s en brommers, die met een bloedgang in beide richtingen rijden, gaan Dumoulin en Geschke lange tijd gelijk op. Maar een Giro-winnaar verslaan? Nee, dat lukt Geschke niet, die er in 2017 tijdens de Giro bij was als ploegmaat.

Tankink komt in de verte naar boven gelopen met de fiets aan zijn hand. De grote grijns op zijn gezicht verklapt dat het niet aan zijn conditie ligt. “Op het steilste stuk wilde ik even aanzetten en toen hoorde ik ‘krak’. Ketting kapot.”

Bovenaan de klim, op de hoek van de straat, zetten de mannen hun fiets langs de kant. Die van Tankink gaat plat op de grond. Fietsgids Innocent belt zijn maatje Jassini, die er binnen enkele minuten is. Met een hamer, een klein metaalaambeeld en een lange pin repareren ze de ketting.

Het tafereel trekt veel bekijks. Voorovergebogen over de fiets zien de mannen hoe ze met de drie attributen een schakeltje weghalen en de ketting weer aan elkaar ponsen. Dumoulin weet net op tijd te voorkomen dat de ketting er verkeerd om op gaat. Geschke staat ‘een beetje beschaamd’ op een paar meter afstand. “Na zestien jaar als prof kan ik nog altijd vrij weinig aan mijn fiets repareren. Ik heb altijd mechaniekers rond me gehad, waardoor ik nooit heb leren sleutelen.”

Na een onderbreking van een klein half uur gaat de rit verder, in de richting van zakendistrict Kimihurura. Hier ligt ook de gelijknamige Cote de Kimihurura. Deze kasseiklim heeft volgens Dumoulin iets weg van de Oude Kwaremont. “Maar dan iets minder lang en iets minder steil.” De lange uitloper leidt de route naar het Convention Centre, waar de start- en finish van het WK in opbouw is. De stellage die als finishboog zal dienen, staat al op z’n plek, evenals de eerste tribunes.

Na een paar foto’s gaat de rit snel verder in de richting van het hotel, want ‘s middags staat er nog een lange transfer op het programma richting Musanze. De stad is de toegangspoort tot het Volcanoes National Park, waar je de beroemde berggorilla’s kunt zien, één van de meest iconische natuurwonderen van Afrika.

Potato Cyclists

De autorit van Kigali naar Musanze hadden de mannen achteraf liever willen fietsen. De 95 kilometer tussen het Four Points hotel en The Bishops House, het nieuwe logeeradres biedt prachtige vergezichten over de heuvels en bergen. Waar je ook kijkt; overal zie je landbouw. De vulkanische grond is hier een perfecte voedingsbodem voor aardappelen, cassave en diverse soorten groente.

Het is echter filerijden door de heuvels. Zware vrachtwagens rijden stapvoets de berg op. De 95 kilometer neemt als gevolg meer dan drie uur in beslag. En dus hadden de mannen net zo goed en waarschijnlijk bijna net zo snel op de fiets kunnen gaan.
Onderweg zijn ze getuigen van een ander Rwandees fenomeen. De potato cyclist; fietskoeriers die rondrijden met enorme aardappelzakken die ze achterop de fiets binden. De vracht weegt al gauw meer dan 250 kilo. De potato cyclists zijn een drijvende kracht achter de lokale economie. Bergop duwen ze de fiets te voet vooruit. Bergaf sjezen ze zonder bescherming met hoge snelheid naar beneden. Op fietsen die niet altijd in de beste staat verkeren en zonder versnellingen. Om extra te remmen binden de koeriers een stuk autoband onder hun schoenen. In Rwanda is dit een alledaags fenomeen. In het busje met die oud-profs zorgt het voor verbaasde blikken en videobeelden die op Instagram belanden.

Daar woont Rein

De tweede fietstocht heeft als tussenstop Lake Ruhondo en Lake Burera, ook wel bekend als de twin lakes. Deze meren zijn zo genoemd omdat ze pal naast elkaar liggen. Een ontzettend mooi gebied dat een beetje doet denken aan de meren bij de Schotse hooglanden.

Tijdens de gravelrit zegt de gids vanuit het niets en alsof het de normaalste zaak is: “Kijk, daar staat Rein Taaramäe. Hij woont hier.” Het blijkt geen grap. In the middle of nowhere staat daar ineens de Estse wielrenner langs de kant van de weg. Hij is er alvast voor het WK. “In 2018 ben ik hier voor het eerst gekomen. Het beviel me wel”, vertelt hij terwijl het gezelschap met elkaar op de foto gaat. “De omgeving is hier prachtig, het weer is altijd goed en je hebt geen tijdverschil met Europa. Toen mij verteld werd dat een huis hier goedkoper is dan een auto wist ik dat ik hier wilde wonen. Mijn auto kost € 30.000.”

“Ik ken je nog goed van onze beloftenperiode”, zegt Geschke, die een jaar ouder is dan Taaramäe. “Ben je nog prof?” Het antwoord is bevestigend. Taaramäe is inmiddels 38 jaar, maar nog altijd beroepsrenner. De tweevoudig ritwinnaar in de Ronde van Spanje was tot vorig jaar nog actief in de WorldTour bij Intermarché-Wanty. Dit jaar rijdt hij zijn koersen in dienst van een Japanse continentale ploeg (Kinan Racing Team).

Op een paar honderd meter van het huis van Taaramäe ligt een vestiging van het UCI World Cycling Center. Dit splinternieuwe trainingscentrum is begin dit jaar geopend. Op het complex staan een aantal huisjes waar talentvolle wielrenners kunnen verblijven. De onderkomens zijn klein en basic, maar het ontbreekt er aan niets. Een aantal oudere dames ontfermen zich over de soms nog jonge gasten. De UCI hoopt met het WCC-project kansen te bieden aan talenten uit alle Afrikaanse windstreken.

Na een korte rondleiding stappen de mannen weer op de fiets en wordt het asfalt ingeruild voor onverharde wegen. Ook hier is het beeld hetzelfde. De vergezichten zijn prachtig. Maar waar je ook kijkt zie je landbouw. De onverharde wegen zijn niet bepaald geschikt voor auto’s. De Toyota Landcruiser, die als volgauto dient, schudt van links naar rechts. “We noemen dit een Afrikaanse massage”, grapt Pax.

foto: Maxim Horssels

Bekijks

In de bergdorpjes trekt het voorbij razen van de stoet veel bekijks. Al is het geen zeldzaamheid. Dit is de standaard route naar de Twin Lakes. In Gahunga is een korte tussenstop. Bijna alles gaat hier met de fiets. De koeriers met hun zware bagage zijn er ook. Eén voor één proberen de geroutineerde ex-profs uit Europa een fiets met aardappelzakken overeind te krijgen. Tot hilariteit van de locals. Geschke slaagt er niet in. Te zwaar, te lomp. “Over deze wegen kun je hier niet mee fietsen”, zegt hij met het nodige ongeloof.

De eindbestemming van de fietsrit is het punt waar beide meren elkaar bijna raken. Ze hebben hier een waterkrachtcentrale gebouwd die volgens Pax het gebied grotendeels voorziet van stroom. “Hoe ver is het hotel van hier”, vraagt Dumoulin. Ongeveer twintig kilometer, is het antwoord. “Goed, dan ga ik terug naar het hotel hardlopen.” Dumoulin is in training voor de marathon van Amsterdam. Een trainer of trainingsschema heeft hij niet. Alles doet hij op gevoel en dat gevoel zegt dat terugrennen wel een leuk idee is. Eigenlijk is het de bedoeling dat de mountainbikes achterop de auto gaan. Terugfietsen had Pax al niet verwacht, laat staan hardlopen naar het hotel. Begrijpt hij het nou goed? “Hij is gek. Laat hem maar gaan”, knipoogt Tankink.

In de auto wisselt Dumoulin zijn fietsbroek voor een hardloopbroek, trekt zijn hardloopschoenen aan en vertrekt. Tankink en Geschke op de fiets als chaperones in zijn buurt. “Kom mee”, wuift Dumoulin naar een paar scholieren van een jaar of acht, die net naar huis lopen. Een paar kindjes haken aan. Met een high five nemen ze enkele tientallen meters later weer afscheid.

Terug bij het hotel blijkt Dumoulin toch een mens. Puffend vertelt hij dat het tegenviel. “Het was wat meer op en af dan ik dacht en in combinatie met de vijftienhonderd meter hoogte waar we hier op zitten, maakte het pittiger dan verwacht. Heel gaaf om hier te rennen, maar ik ben nu wel naar de klote.” Dat is Dumoulin enkele weken later ook, als hij de finishstreep van de marathon is gepasseerd. Met een tijd onder de tweeënhalf uur maakt hij indruk.

Bedreigd

De hoofdreden voor Dumoulin om de uitnodiging voor deze trip te accepteren is de trekking naar de berggorilla’s. Een jongensdroom. Een ervaring die al jarenlang op zijn bucketlist staat. Toen hij de uitnodiging thuis besprak, was het er snel doorheen. “Thuis weten ze hoe graag ik dit wil.” Geschke en Tankink hoefden niet lang na te denken toen ze meegevraagd werden.

De berggorilla is de grootste soort gorilla en komt enkel voor in het Virungagebergte, wat zowel in Rwanda, Oeganda als in Congo is gelegen. Zowel de berggorilla’s als de drie andere gorillasoorten worden ernstig bedreigd door stroperij en ontbossing. Jaren geleden leefden er nog maar zo’n vijfhonderd berggorilla’s in Centraal-Afrika. Door een actief beschermingsprogramma is de populatie inmiddels verdubbeld naar meer dan duizend gorilla’s.

Wat niet meewerkt is dat berggorilla’s zich langzaam voortplanten. Vrouwen krijgen gemiddeld elke zeven jaar een baby, waarbij de draagtijd net als bij mensen ongeveer negen maanden duurt. In een periode van veertig jaar baren de vrouwtjes ongeveer twee tot zes baby’s, terwijl de mannetjes in hun hele leven gemiddeld drie tot vier vrouwen hebben. Vanuit het perspectief van een bedreigde dierensoort is dat niet veel nageslacht.

Vertrekpunt van deze bijzondere tocht is het hoofdkwartier in Kinigi. Na een check van alle papieren krijg je een parkranger en gorillafamilie toegewezen. “In Rwanda leven een twaalftal gorillafamilies”, vertelt parkranger Constatin. “Soms minder, want gorilla’s kennen geen grenzen. Als er onvoldoende voedsel is, trekken ze naar Congo. De familie die wij gaan bezoeken is de familie Isimbi, bestaande uit zestien leden. De familie leeft van hier het verste weg, dus stap maar in de auto.” Een ticket voor de tocht is overigens niet goedkoop. Per persoon kost het 1.500 Amerikaanse dollar, momenteel zo’n 1.300 euro.

De rit naar de rand van het park duurt een kleine drie uur, waarvan de helft over onverharde wegen die haast onbegaanbaar zijn. In de dorpjes die passeren is het druk op straat. In de auto ontstaat een gesprek over het tempo van het leven. Men heeft hier minder welvaart dan in West-Europa, de huizen zijn primitiever en het leven speelt zich voornamelijk af op straat. Maar zijn ze hier ongelukkiger dan wij? De aanname is dat het tegenovergestelde mogelijk dichter bij de waarheid zit. Maar hoe het echt is om hier te leven en onder het regime van president Paul Kagame is natuurlijk niet van de buitenkant te zien.

Op sommige huizen is op de voorgevel een kruis en een reeks cijfers met graffiti gespoten. “Ze gaan hier een asfaltweg aanleggen. De huizen met een kruis erop moeten plaatsmaken”, vertelt Pax. De wegen worden hier bijna letterlijk geplaveid om de groeiende stroom toeristen beter te kunnen verwerken. Toerisme is goed voor ruim tien procent van de Rwandese economie. De gorilla-trekking draagt daaraan het meeste bij.

De auto stopt. Na een rit waarin iedereen flink door elkaar is geschud, is het eindelijk zover. De trektocht door het mistig bergbos in de hoop de gorilla’s te spotten. Om hun levens niet te veel te ontwrichten bestaat elke groep uit niet meer dan acht toeristen, die maximaal een uur in de buurt zijn.

Hoewel het gezelschap vandaag uit fitte mannen bestaat (ook de twee Duitse toeristen die aanhaken) gaan de rugzakken met drinkwater, lunch en reservekleding toch op de rug van een porter die iedereen krijgt toegewezen. De 20 dollar die ze verdienen is een belangrijk deel van het inkomen waar ze van leven.

foto: Maxim Horssels

Kapmes

Met toch wat spanning begint de wandeltocht de bossen in, over smalle paadjes door dichte bebossing. Voorop een ranger met in zijn hand een kapmes en om zijn nek bungelt een AK-47 machinegeweer. Voor de veiligheid, want naast de gorilla’s is dit ook het leefgebied van de zeer agressieve Afrikaanse buffel. Voor de mens het meest dodelijke dier afgezien van de mens zelf en het nijlpaard. Tijdens de klautertocht die de groep voorbij de grens van 2500 meter hoogte brengt, is het stil. Veel tijd en ademruimte om te kletsen is er niet. De rangers lopen bergop stevig door en de hoogte is voelbaar.

Bij een tussenstop vraagt Dumoulin of hij zijn bananenschil hier kan achterlaten. Het antwoord is ‘nee’. Hoewel de schil zichzelf zal afbreken kan het de gorilla’s op een verkeerd been zetten. “Als ze een schil vinden, denken ze dat hier bananen groeien. Die gaan ze hier niet vinden wat dan onnodig tot spanningen kan leiden. Wij willen geen sporen achterlaten, dus al het afval gaat in onze rugzakken, zelfs dat van bananen”, legt Constatin uit.

Op zijn borst draagt hij een portofoon, waarmee hij in contact staat met rangers die ‘s ochtendsvroeg al het bos in zijn gedoken, op zoek naar de familie. Hun vertrekpunt is de plek waar ze een dag eerder de dieren hebben bezocht. Van daaruit volgen ze de sporen in de hoop de zestien Isimbi’s opnieuw te vinden. Dat kan dezelfde plek als een dag eerder zijn, maar ook kilometers verderop zijn. De plek waar ze voedsel vinden bepaalt hun route.

Op een kleine grasweide krijgt iedereen een mondkapje. Een voorzorgsmaatregelen die is gebleven na de coronapandemie. Het dna van de mens komt namelijk voor bijna 97% overeen met dat van de gorilla’s.

Na bijna twee uur hiken is het moment daar. Achter de bossage zitten de gorilla’s. Het geritsel is al hoorbaar, de geur van uitwerpselen ruikt sterker. Een paar stappen verder en je staat tussen ze. De afstand van minstens zeven meter blijkt in de realiteit soms niet meer dan centimeters. In het gras tussen een paar struiken ligt Muturengere, de enige zilverrug van deze familie en daardoor ook de onbetwiste leider. Alle vruchtbare vrouwtjes zijn van hem. Twee liggen tegen hem aan te slapen.

De spanning bij het gezelschap is voelbaar. Iedereen heeft wel eens een gorilla gezien in de dierentuin. Maar wat je hier ziet en vooral voelt is met niets te vergelijken. Een combinatie van spanning en opwinding. Want hier is geen hek en hier is de mens niet de baas. Op deze plek hebben de gorilla’s het voor het zeggen en is de mens slechts te gast. Op ruim 2.500 meter hoogte, diep in de Rwandese bossen van het Volcano National Park is dat besef bij iedereen voelbaar.

Momenten van euforie wisselen ze zich af met spanning, want de gorilla’s blijven onvoorspelbaar. Terwijl iedereen met telefoons en fotocamera’s in de weer is, begint één van de jongvolwassen apenmannetjes rond te rennen. De kleintjes in de boom slingeren aan een tak. Vanuit het niets rent een nog jongere gorilla voor de voeten langs. Het aapje geeft Dumoulin een klap op zijn rechterbovenbeen. Met een grote poepvlek als blijvende herinnering.

Het lijkt de gorilla’s niet te deren dat er pottenkijkers zijn. Ongestoord gaan ze door met waar ze mee bezig. Slingeren in de takken, in de struiken slapen en zelfs buiten het zicht van de grote leider stiekem de liefde bedrijven.

Privilege

Na ruim een uur begint de afdaling. Telefoons vol met foto’s en video’s, maar wat blijft zijn de beelden die zich voorgoed in het geheugen graveren. “Dit is oprecht één van mijn mooiste ervaringen ooit,” zegt Dumoulin op de terugweg door het bos. Een opmerking die gewicht heeft, uit de mond van iemand die in de wielersport hoogtepunten heeft bereikt die zeldzamer zijn dan een gorilla trekking.

In dit gezelschap kent alleen Dumoulin het gevoel van het Tour de France-podium; dat moment van ultieme erkenning op het grote toneel. Maar wat de gorilla’s zojuist hebben gegeven, kunnen ze met z’n allen meenemen. In de mist, op deze hoogte, in deze stille bossen hebben ze samen iets ervaren dat geen medaille kan evenaren: het privilege om getuige te zijn van leven in zijn meest pure vorm. De gorilla’s hadden het voor het zeggen. Wij waren slechts gasten.

In de stilte van het Rwandese bergbos lijkt de tijd even stil te staan. De gorillasafari markeert het symbolische slot van een reis waarin topsport en natuur elkaar raken. Voor even geen wattages, schema’s of podiums, maar een ontmoeting met iets dat zich niet laat regisseren. In de mistige heuvels van Rwanda vinden Dumoulin, Tankink en Geschke wat zelden in de koers te vinden is: stilte, verwondering en respect voor het leven in zijn oervorm. De berggorilla’s herinneren eraan dat de wereld groter is dan het peloton. En dat winnen soms simpelweg betekent dat je mag toekijken.

foto: Maxim Horssels