Aangemaakte reacties

2 berichten aan het bekijken - 1 tot 2 (van in totaal 2)
  • In reactie op: Het topic der verdachte renners #463583

    @random: Roglic komt al uit de sport en kan evengoed toen ook al aan de doping gezeten hebben.

    In reactie op: Het topic der verdachte renners #439848

    Kenneth Mercken (42) was eind jaren negentig wielrenner: een ploegmaat van Tom Boonen bij de Kortrijk Groeninge Spurters, later semiprof in Italië. Hij had talent, maar ook één groot gebrek: “Epo werkte niet bij mij.” Mercken is nu filmmaker, en deze maand komt zijn debuut uit. In Coureur doet hij een boekje open over wat hij allemaal zag en zelf deed.

    In cafébar Mok in de Brusselse Dansaertstraat scant Kenneth Mercken met zijn telefoon de groene thee die hij net heeft besteld. Hij is onlangs opnieuw se­rieus beginnen te koersen en telt daarom digitaal zijn calorie-inname. “Dat is het probleem”, zegt hij. “Ik kan niks half zijn gat doen. Dat was vroeger zo als coureur en nu als regisseur is het precies hetzelfde.”

    Wielrennen en films maken zijn niet zo verschillend, vindt Mercken. “Knokken om centen te vinden, alle mogelijke connecties aanspreken, jezelf helemaal verliezen in wat je doet. Zeven jaar met een script bezig zijn, is óók een uithoudingssport.”

    Vanaf 13 maart loopt zijn debuut Coureur in de zalen. Het is een film over de zwijgzame renner Felix ­Vereecke, die zichzelf verliest in een universum van spuiten en slikken.

    Koersen, uitgaan, vechten en weer koersen
    Grotendeels is het verhaal autobiografisch: epo, cortisone, testosteron, groeihormoon, de regisseur heeft het zelf ook allemaal gedaan. Zoals ook de turbulente relatie tussen vader en zoon levensecht is.

    Maar soms is het verhaal een beetje ‘aangezet’: in een memorabele scène in de film sondeert Felix zijn eigen blaas om de controle te omzeilen. “Dat heb ik nooit gedaan”, zegt Mercken. “Maar ik had het zeker kunnen doen. Ik was tot alles bereid.”

    Toch is Coureur ook een mooie, menselijke film geworden. Geen rauwe schandaalprent over doping alleen. Zo’n film had Mercken ook kunnen maken, want zijn persoonlijke verhaal is bij momenten bijna straffer dan de fictie van Coureur.

    “Ik kom uit een wielergezin”, zegt hij. “Mijn vader en mijn oom reden voor de Waalse liefhebbersbond. In dat milieu ben ik opgegroeid: dat was koersen, winnen, uitgaan en dan opnieuw koersen terwijl je nog zat was van de dag voordien. Er werd amfetamine gebruikt en geregeld gevochten. Ik zag als kind dingen die shocking waren, maar tegelijk was dat ook de aantrekkingskracht. Mijn pa was mijn grote held. Hij won altijd, ook bij het vechten.”

    “Op mijn elfde ging ik zelf koersen, vanaf mijn veertiende in competitie. Ik trainde op de grote versnelling, reed mijn knieën kapot. Omdat ik zo hard trainde, groeide ik niet meer. Ik kwam laat in mijn puberteit, reed tegen jongens die een kop groter waren. In mijn allereerste koers werd ik als eerste gelost. Ik reed tot bij mijn pa die aan de kant stond te kijken met een maat. Ze hadden gedronken. Nog nooit ben ik zo beschaamd geweest, zei mijn pa. Toen ben ik gestopt. Ik voelde dat heel erg: bij ons thuis mochten alleen winnaars binnen.”

    Met Tom Boonen tussen de nudisten
    “Pas op mijn zeventiende ben ik opnieuw begonnen. In dezelfde liefhebbersbond als mijn vader. Daar bleek ik toch talent te hebben. Vaak koersten we samen. Ik herinner me dat we een keer sprintten voor de vierde plaats. Ik was sneller, ging makkelijk over ons pa. Tot ik een hand voelde. Een hand die ik kende. Pa duwde mij naar de nadar. Ik moest vol remmen of ik was verongelukt. Hij lachte achteraf. Dat moet je leren, jongen. Hij had gelijk, ik was veel te braaf.”

    “Toen, bij de vrije liefhebbers, wilde ik niet eens een vitaminepil nemen. Ik was daar principieel tegen. Maar lang houd je dat niet vol. Je begint met cafeïne, een eerste, onschuldige stap. Daarna volgt magnesium. Ook onschuldig, maar dat moet je wel zelf intraveneus inspuiten. Dat herinner ik me nog heel goed: dat ritueel – een naald in je eigen ader zetten. Heel spannend. Daar besefte ik voor mezelf: Nu ben ik naar de ‘dark side’ overgestapt.”

    “De hele cultuur van het wielrennen was erop gericht. Ik ben nooit een dokter tegengekomen die vroeg: Ben jij misschien zot geworden? Neen, alles was normaal. We gaan dat voor u in orde brengen. Je deed een ronde van de dokters, op zoek naar degene wiens pen het vlotst schreef. Zo zeiden we dat.”

    “Het is niet dat ik voor alle koersen gebruikte. Ik herinner me een wereldbeker in Waregem. Ik was de beste man in koers en ik was clean, op een ozonkuurtje na misschien. Ik mocht gaan rijden bij de Kortrijk Groeninge Spurters, met de beste Belgische renners. Tom Boonen zat bij mij in de ploeg en we kwamen goed overeen. Ik herinner me dat we samen op de kamer onze quadriceps aan het meten waren. Dat was tot op de millimeter hetzelfde.”

    “Later, op de ploegstage in Almeria, hebben Boonen en ik eens gesprint tegen elkaar op training. Ik klopte hem met een halve fiets. Tijdens die stage zaten we in een park voor nudisten, waar de ploeg voor een prijsje bungalows had kunnen huren. Daar moesten wij door voor we op training vertrokken. Hilarisch.”

    “Mijn pa had een maat die op sterven lag en epo moest nemen om medische redenen. Pa is die bij hem gaan opvragen: Mag Kenneth die epo niet hebben? Jij gaat toch kapot, hij kan er misschien nog coureur mee worden.” FOTO: GEERT VAN DE VELDE

    “In 2000 werd ik in Halle Belgisch kampioen bij de elite zonder contract. Ik kon tekenen bij Gruppo Sportivo Podenzano, een bescheiden Italiaans team. In België had ik natuurlijk al wat dingen gedaan, maar in ons land was doping iets wat je als renner zelf organiseerde. In pakweg de Ronde van Namen sliepen we in kostscholen en dan zag je de anciens met een ijscrèmedoos naar de toiletten verdwijnen. Niemand mocht het weten, maar iedereen wist het.”

    “Italië was in die tijd het beloofde land voor jonge renners. Er was net een WK voor beloften geweest waarbij de Italianen de eerste vier plaatsen haalden (in 1996 in Lugano, nvdr.). Ik verwachtte dat het ook qua doping next level zou zijn. Alleen zag ik niks de eerste weken. Niemand gebruikte. Ik belde in paniek naar mijn dokter: Help, iedereen is hier clean. Hij stelde me gerust: Wacht maar, dat komt nog.”

    “Op een keer sloot ik me op in de toiletten, om een recuperatiespuit te zetten. De rest van de ploeg kreeg het in de gaten en begon op de deur te kloppen. Ik riep: Laat mij gerust, ik ben me aan het aftrekken.(lacht) Toen ik buiten kwam, hadden ze allemaal hun spuiten boven gehaald en deden ze alsof ze zichzelf injecteerden.”

    “Later leerde ik dat ze in Italië allerlei mythes hebben rond doping. In die eerste weken zaten ze in een periode van pane e acqua – brood en water – waarin ze het lichaam zuiverden om het extra ontvankelijk te maken voor de dopingproducten. Later spoten alle renners openlijk op de kamer. Terwijl we over het weer babbelden. Zo banaal was het. Alleen de eerstejaars niet, die mochten alleen kijken.”

    Anorexia
    “Ik had één groot probleem: epo werkte niet bij mij. Dat gebeurt, sommige mensen zijn ‘non-responsive’. Dat moet met mijn late pubertijd en lage testosteronspiegel te maken hebben gehad. Toen de dokter me het nieuws vertelde, was mijn eerste reactie: Misschien moet ik gewoon maar wat meer gaan spuiten.”(lacht)

    “Ik begon epo te kopen achter de rug van de ploegleiding, van Russische ploegmaats. Die zeiden dat hun product natuurlijk was, nog getrokken van echte lijken. Een fabeltje, maar ik wilde het graag geloven. Mijn pa had ook een maat die op sterven lag en epo moest nemen om medische redenen. Pa is die bij hem gaan opvragen: Mag Kenneth die epo niet hebben? Jij gaat toch kapot, hij kan er misschien nog coureur mee worden. Ik heb die mens zijn epo gebruikt, maar ik kreeg een darmontsteking.”

    “Een gerenommeerde wielerarts had later een oplossing voor mijn probleem met epo. Ik kon groeihormoon nemen. Maar geen ‘kuurtje’, zoals de meeste deden. Wel dag na dag, mijn hele carrière lang. Hij zei er ook bij: Groeihormoon kan ook kankercellen stimuleren. Als dat gebeurt, ben je gefuckt.”

    “Dat heeft me aan het denken gezet, mijn ogen geopend. Ik ben crazy bezig. Er kwam die periode zoveel bij elkaar. Ik zat tegen anorexia aan, had een positieve controle gehad, weliswaar voor een product waar ik een attest voor had. Maar het werd allemaal te veel. Ik voelde: Dit wordt te zot. Ik ben mezelf aan het kapot maken.”

    ‘Coureur’, met o.a. Koen De Graeve, vanaf 13 maart in de cinema.
    “Ik heb naar huis gebeld vanuit Italië. Ik stop. Ik heb het aan mijn ma moeten vertellen. Ons pa kon niet aan de telefoon komen, hij begreep het niet. Pa heeft letterlijk gezegd: De kans om kanker te krijgen, wat stelt dat nu voor als je een groot coureur kan worden.Twee jaar heeft hij niet geslapen van mijn beslissing om te stoppen. Maar hij heeft die wel gerespecteerd. In Italië is hij me zelf komen halen met de mobilhome.”

    “In die rit naar huis heb ik beslist dat ik dan maar filmschool zou gaan doen, omdat ik ooit eens een brochure van het Ritcs had gezien met Stijn Coninx op. (lacht) Het is nu pas, bij het maken van Coureur dat ik me ervan bewust ben geworden hoe crazy die hele wielerperiode was. Als je erin zit, heb je dat niet door. Koers is een narcistisch gebeuren, helemaal op jezelf gericht. Een sport die je stap voor stap corrumpeert.”

    “Frank Vandenbroucke heeft dat ook ooit verteld: het eerste pilletje Stilnoct zette een raderwerk in gang dat niet meer tegen te houden is. Zo was het ook voor mij. VDB kan het niet meer navertellen. Met mijn film kan ik dat gelukkig wel doen.”

2 berichten aan het bekijken - 1 tot 2 (van in totaal 2)