Simon Zahner: “Uitbreiding wereldbeker is sleutel tot internationalisering”

Door Niels Bastiaens, zondag 26 november 2017 om 08:00
Simon Zahner

Foto: Kristel Van Gilst

Niet Sven Nys of Wout van Aert, maar wel Zwitser Simon Zahner vertegenwoordigt de komende vier jaar de veldrijders in de atletencommissie van de UCI. Zahner heeft zo zijn eigen opvattingen over de toekomst van de cross en heeft er een persoonlijk doel van gemaakt om te strijden voor de internationalisering van de sport. Hoe denkt de 34-jarige Zwitser dat te gaan doen? Dat vertelt hij in het Weekendinterview.

Zahner veroverde zijn plekje in de atletencommissie van de Internationale Wielerunie bijna een jaar geleden, daags voor het WK veldrijden in het Luxemburgse Bièles. Pas voor het eerst in de geschiedenis had de UCI een heuse verkiezing georganiseerd, waarbij iedere deelnemer aan de mondiale titelstrijd zijn stem kon uitbrengen op een van de vijf kandidaten. Naast Zahner, hadden ook Sven Nys, Wout van Aert, Francis Mourey en Thijs van Amerongen hun kandidatuur ingediend. Uiteindelijk haalde Zahner het verrassend, met amper één stem meer dan de Kannibaal van Baal. Die nam de taak al sinds 2011 op zich.

Zahner had nochtans niet echt campagne gevoerd bij zijn collega’s. Alleen met de opvallende tweet “Geen #makecyclocrossgreatagain, geen #alternativefacts. Als je op mij stemt, zal ik in de commissie mijn kijk geven van buitenaf het heilige land van het veldrijden. Ik zal mijn best doen om een grotere wereldbeker te creëren, met tien tot twaalf manches in zes tot acht landen”, trok hij de aandacht. Dat bleek het merendeel van de crossers wel te zinnen. “Het was vooral moeilijk om mijn collega’s bewust te maken van het feit dat er überhaupt verkiezingen waren voor die functie. De UCI had daar niet zo goed over gecommuniceerd, dus heb ik via die tweets mijn ideeën gedeeld. Ik heb het geluk gehad dat de verkiezing plaatsvond op het WK, waar veel renners uit kleine landen zijn. Zij begrijpen hoe moeilijk het is om te presteren in deze sport als je niet voor een grote ploeg rijdt en telkens ver moet reizen.”

Dan heb je misschien geen zeven of acht Belgen en Nederlanders meer in de top-10 van de belangrijke crossen, maar nog vijf of zes.

Spreiding niet groot genoeg
Met het heilige land van het veldrijden doelt Zahner natuurlijk op België, dat met de Superprestige en de DVV Verzekeringen Trofee twee belangrijke regelmatigheidscriteriums in handen heeft mét de beste renners ter wereld aan de start. “Deze wedstrijden worden live op televisie uitgezonden, en dus is er veel geld mee gemoeid. Vroeger was de Superprestige een internationale bedoeling, met crossen in Wetzikon, Milaan en Zürich, maar meer en meer moesten die plaatsmaken voor de rijkere Belgische organisaties. Het lijkt soms alsof ze de buitenlandse organisaties gewoon niet serieus nemen. Zij krijgen de kans niet om een cross met veel media-aandacht te organiseren, altijd kiest men voor het grote Belgische geld. Dat is niet fair voor mensen die moeite in het organiseren van een cross steken.”

“In deze wedstrijden zie je dan vaak ook alleen maar Belgische en Nederlandse renners vooraan”, legt Zahner uit. “Logisch, want zij moeten niet wekelijks een lange verplaatsing maken. Als ik dat wekelijks vanuit Zwitserland zou doen, dan verlies ik daarmee zoveel onnodige energie. Het is gewoon niet de moeite. Mocht de internationale spreiding van wedstrijden zoals deze groter zijn, dan zou het nog geen drie jaar duren of ook de wereldtop was internationaler. Dan heb je misschien geen zeven of acht Belgen en Nederlanders meer in de top-10 van de belangrijke crossen, maar nog vijf of zes. Een goed voorbeeld is de Italiaan Gioele Bertolini, dit jaar Europees kampioen mountainbike bij de beloften. In het mountainbiken moet hij veel grote verplaatsingen maken, maar door het internationale karakter van die sport is dat daar voor iedereen hetzelfde. In het veldrijden zit hij met een ongelijke strijd ten opzichte van de Belgische renners, waardoor hij minder goed tot zijn recht komt dan op de mountainbike.”

De oplossing volgens Zahner? De wereldbeker grondig uitbreiden, liefst naar zoveel mogelijk landen. “Als je tien tot twaalf wereldbekers per seizoen hebt, dus één keer per twee weken, dan creëer je een internationale competitie waar iedereen met gelijke kansen strijdt. Dan bedoel ik niet drie manches in België, twee in Nederland en eentje vlak over de grens in Duitsland, georganiseerd door een Belgische organisatie, zoals nu. Nee, we hebben eerder organisaties zoals Fiuggi nodig. Daar had je vorig seizoen een totaal andere sfeer, alsof iedereen op vakantie was. Iedereen moest tijd en moeite investeren in die reis en je kreeg ook nog eens een uitdagend parcours voor de wielen geschoven. Dan zie je dat renners als Marcel Meisen en Clément Venturini plots vooraan verschijnen. Ik wil in de atletencommissie graag pleiten voor meer wedstrijden als deze, maar de eerste vergadering komt er jammer genoeg pas in december.”

Dan bedoel ik niet drie manches in België, twee in Nederland en eentje in Duitsland, georganiseerd door een Belgische organisatie.

Financiële tegemoetkoming
Organisaties als die van Fiuggi staan evenwel financieel niet altijd even sterk in hun schoenen. Vorig jaar was het lang onzeker of deze manche überhaupt zou kunnen doorgaan, en dat zag je ook bij organisaties als Roubaix en Igorre. “Dat is omdat een wereldbeker vaak een te dure investering is. Nu kost het voor een organisatie ongeveer 200.000 euro om een wereldbeker te organiseren. We zouden dat op een of andere manier moeten terugbrengen naar 120.000 euro, dan komen er plots veel meer organisaties in aanmerking. Maar op dat vlak moet de UCI dan wel zijn verantwoordelijkheid nemen.”

“Bepaalde landen worden daarom nu vergeten”, vult Zahner aan. “Aigle, Tabor en Igorre waren vaste waarden in het wereldbekerciruit, en dat zijn plaatsen waar het publiek echt wel warmloopt voor de cross. Ook Lignières-en-Berry vorig jaar, dat was een prachtig parcours en goede accommodatie. Het is in die landen dat je moet zijn om iets moois op te bouwen, en niet per se de Verenigde Staten zoals nu het geval is. Dat lijkt allemaal heel mooi, maar voor een renner die niet voor een grote ploeg rijdt is dat een heel dure trip, die je volledig zelf moet financieren. Stel, je reist af naar de Verenigde Staten, je komt ten val bij de start en je moet opgeven. Dan ga je naar huis met 0 euro winst en zelfs heel wat verlies door de dure vlucht, de hotelkosten, etc. Dat is iets waar men in zou moeten tussenkomen.”

De Zwitser maakt de vergelijking met het wegwielrennen. In 2010 en 2011 was hij actief voor BMC, toen met onder andere Cadel Evans en Greg Van Avermaet op de loonlijst. In die jaren zag Zahner dat er toen wél werd bijgetreden in de kosten. “Toen we naar Oman en Qatar gingen, kreeg elke ploeg een eigen volgauto en een bus en was er een gemeenschappelijke vlucht geregeld. Dat moet toch ook in het veldrijden kunnen. Stel, de UCI organiseert voor een wereldbeker naar de Verenigde Staten een vlucht vanuit Parijs, waarbij iedere renner twee fietsen en een mekanieker mag meenemen voor een bepaald, beperkt bedrag. Dan is dat allemaal al veel draaglijker dan dat je al die zaken zelf moet gaan regelen en betalen. Een vast startbedrag invoeren voor iedere renner zou misschien een andere optie zijn, maar dan wel ten koste van het prijzengeld.”

Nu kost het ongeveer 200.000 euro om een wereldbeker te organiseren. Dat moeten we terugbrengen naar 120.000 euro.

In het Zwitsers regelmatigheidscriterium EKZ Cross Tour heeft men een andere oplossing gevonden, vertelt hij. “Ze betalen de renners naargelang van hoever ze moeten komen. Renners die een grotere afstand van hun thuisland naar een van de manches moeten afleggen, krijgen meer geld om de kosten van die reis te compenseren. Zelfs renners die vlakbij het parcours wonen en dus heel wat volk op de been brengen, krijgen niet zo veel. Dat is waarom renners als Corné van Kessel, Francis Mourey en Klaas Vantornout zo graag bij ons komen rijden. Ze treffen er prachtige parcoursen en worden eerlijk betaald. Als ik dat systeem zou kunnen overbrengen aan de organisatie van de Soudal Classics of de DVV Trofee in België, al is het maar voor één seizoen, dan zou dat geweldige stap vooruit zijn.”

Familie is het belangrijkst
De 34-jarige Zahner zelf zit in de laatste fase van zijn carrière als actief renner. Hij kan zeer tevreden terugblikken op hoogtepunten als een achtste (2009) en negende (vorig jaar) plek op het WK én een podiumplaats in de wereldbeker van Hoogerheide in 2014. “Daarom hoeft het voor mij zelf ook niet om nog te veel te crossen, en zeker niet in België. Ik heb een familie thuis, die ik in het verleden al te vaak heb moeten missen. Tijdens de twee jaar die ik op de weg bij BMC heb gereden, miste ik hoe mijn kinderen hun eerste stapjes zetten en hun eerste woordjes zeiden. Ik was 180 tot 190 nachten van huis en al die tijd stond mijn vrouw er vaak alleen voor. Nu zijn de kinderen gelukkig op school, dan ga ik hen niet wegplukken om hen mee naar hier te nemen voor de winter. Mijn familie is het belangrijkst.”

Het familiale aspect was voor Zahner een belangrijke factor om terug te keren naar de cross, maar spijt van zijn tussentijdse overstap naar de weg heeft hij niet. “Ik heb altijd gezegd dat ik voor Parijs-Roubaix meteen al mijn cyclocrossspullen zou verkopen en dat heb ik in 2010 ook gedaan. Ik heb die koers ook mogen rijden en reed met de Giro een grote ronde uit. Ik ben blij dat ik die ervaring in mijn rugzak heb zitten. Anders ben je misschien 45 jaar en realiseer je je dan pas dat je iets gemist hebt”, aldus Zahner. “Anderzijds was dat wereldje van de weg niet altijd even leuk, omdat je zo weinig zekerheid had. Er was een moment dat ik net terug thuis was van de Vlaamse klassiekers en dan op zaterdag werd opgebeld dat ik onmiddellijk moest terugkeren om de Amstel Gold Race te rijden. En dan moest ik, vermoeid en zonder al te veel training, mijn vorm ook nog doortrekken naar de Giro. Als je dan aan het einde van het jaar te horen krijgt: ‘waarom heb jij geen resultaat gereden in die periode?’, vind ik dat ondankbaar.”

De bondscoach van de mountainbikers, die steevast olympische medailles behaalt, is nu ook bij ons gezet. Een mooie actie.

De grote liefde van de Zwitserse veteraan blijft dus de veldritsport, en alles wat daarbij komt kijken. “Het is fantastisch om die onbeperkte vrijheid te hebben. Ik heb zelf mijn sponsors kunnen kiezen, en dat zijn stuk voor stuk bedrijven waar ik volledig achter sta en met wie ik het leuk vind om samen te werken op lange termijn. Als ik volgend jaar een veel beter voorstel krijg van bijvoorbeeld een andere helmensponsor, dan ga ik mijn huidige sponsor niet laten vallen. Dat team zelf kunnen samenstellen, veel bezig zijn met materiaal en dat soort dingen, dat is een aspect van deze sport dat ik fantastisch vind.”

Het WK van 2020 in Dübendorf moet een orgelpunt worden op de carrière van Zahner en bovendien een nieuwe stap vooruit voor het Zwitserse veldrijden. “Dat WK gaat wel het een en ander losmaken in Zwitserland, en dat is eigenlijk al aan het gebeuren. Als wij vroeger steun vroegen aan de federatie, dan kregen we vaak te horen dat ze ons niet konden helpen, omdat de sport niet olympisch is. Maar nu met dat WK in aantocht, zie je echt een mentaliteitswijziging. Ze nemen nu acht junioren mee naar een wereldbeker, vroeger was dat misschien vijf renners in totaal voor al de categorieën. Die steun heb je nodig om iets op te bouwen. Nog iets leuks, is het feit dat de bondscoach van de mountainbikers, die steevast olympische medailles behaalt, nu ook bij ons is gezet. Een mooie actie van de federatie.”

Reacties Toon reacties Verberg reacties